Het ongelofelijke belang van eerste zinnen

Als je iemand vraagt wat hij of zij moeilijk vindt aan schrijven, hoor je vaak: hoe je moet beginnen. Ik herken dat wel, dat je veel te lang voor je papier of scherm zit te denken over de eerste zin, en alles wat in je hoofd opkomt vind je steeds niet goed. Het scherm blijft leeg, je komt niet op gang. Voor je het weet ben je opgestaan om een kopje thee te maken of uit het raam te gaan staren. Hoe komt dat eigenlijk? En wat is eraan te doen?

Kinderen die in de laatste tien minuten van een taalronde, na uitgebreide oriëntatie op het schrijfonderwerp, beginnen te schrijven, denken er niet zo over na. Ze duiken op hun blaadjes en beginnen gewoon. Dat erop duiken is altijd het eerste overtuigende effect van de werkwijze. Geen gekauw op potloden, geen wanhopig rondkijken. En dus ook geen nadenken over de eerste zin. Vaak komt die eerste zin vanzelf, omdat je opschrijft wat je net hebt verteld, en omdat teksten in taalrondes vaak vertellingenzijn. Die beginnen bijna op natuurlijke (= nauwelijks overdachte) wijze met een oriënterende zin, zie tekst hierboven: ‘Een keer zag ik een hond.’

Toch is het de moeite waard om zo’n ‘natuurlijke’ eerste zin eens nader te bekijken. Eerste zinnen zijn niet voor niets een struikelblok voor veel schrijvers. Ze zijn bepalend voor de tekst die erop volgt. ‘Een keer zag ik een hond’ –  en toen? wat gebeurde er, wat deed die hond? vraagt de lezer zich af. Je weet als lezer eigenlijk al bijna zeker dat de verteller iets meemaakte met die hond en dat je daarover gaat lezen. Als je als eerste zin leest: ‘De hond (Canis lupus familiaris) is een roofdier uit de familie van de hondachtigen’,denkt de lezer: zo, interessant, wat kom ik hier te weten over honden? Het zal hier zeker niet gaan over een gebeurtenis, maar waarschijnlijk over soorten honden en hun eigenschappen.

Aandacht voor eerste zinnen leidt als vanzelf tot aandacht voor genres. Het kan een goede focus zijn voor het bekijken van voorbeeldteksten: als je de eerste zin van deze tekst leest, weet je dan al iets over hoe de tekst verder zal gaan en wat het doel van de tekst is? Hoe gaan we dat zelf ook zo doen in onze eigen teksten?

Eerste zinnen voorspellen het genre en zetten de toon. Enkele voorbeelden uit echte kinderteksten:

  • Een juf is iemand die voor de klas staat (beschrijving)
  • Een vulkaan is een berg met een krater waar lava uit komt (beschrijving)
  • 1000 jaar geleden waren de middeleeuwen (historische beschrijvingof verslag)
  • Ik heb eens een keer een rog geaaid en ik ga vertellen hoe dat moet (procedure)
  • Ik vind het onzin dat ik de tafel moet dekken en mijn zusjes niet (betoog)
  • Er was eens een ridder die bij een hol van de draak stond (verhaal)
  • Ik ging een keer met een vriendin naar Nemo (vertelling)

Lees hieronder het vervolg van enkele van deze eerste zinnen:

   

Het is niet alleen leerzaam om je als leerkracht eens te verdiepen in hoe verschillende soorten teksten eigenlijk beginnen en wat het effect daarvan is, maar ook heel leuk om daar nu en dan met je leerlingen over te praten als je bezig bent met schrijfonderwijs. Nog heel onlangs woonde ik in een groep 6 een taalronde bij over ‘een keer dat je laat naar bed ging of ’s nachts wakker werd’. Na een levendige vertelronde gingen we schrijven. We bekeken eerst op het digibord een tekst uit De GVR van Roald Dahl:

Uit: Roald Dahl, De GVR

‘Wat maakt deze tekst zo spannend?’ vraagt de leerkracht. De eerste zin al, vinden we: ‘Sofie kon niet slapen.’ Maar ook: de hele kleine dingetjes die heel precies beschreven worden. ‘Details’, zegt een kind. Die manestraal die precies op het kussen schijnt. Een ander kind weet zeker dat er ook iets kraakte in de tekst – we gaan zoeken en merken dat er eigenlijk helemaal geen geluid beschreven wordt. De tekst gaat zinnen lang over hoe er nietste horen is: geen stemmen, geen voetstappen, geen auto’s. Dat geeft veel meer gevoel voor de stilte dan als er alleen had gestaan ‘Het was heel stil’.  ‘Denk goed na hoe je met je tekst gaat beginnen,’ zegt de juf. ‘Zorg dat je niet meteen alles verklapt.’ De kinderen gaan geïnspireerd aan het schrijven.

Om beurten lezen we na een paar minuten schrijven onze eerste zinnen voor. De leerkracht heeft de opdracht gegeven om heel goed naar die eerste zinnen te luisteren en te bedenken welke zinnen je benieuwd maken naar het vervolg van de tekst. Dat levert een mooi gesprek op over hoe het eigenlijk spannender is als de eerste zin helemaal niet over de belangrijkste gebeurtenis van de tekst gaat. Dat je nog even wacht met daarover te vertellen. De meeste kinderen zitten met hun eerste zin al op een spoor. We kunnen later de teksten bespreken op de kracht van de eerste zinnen en elkaar helpen om ze te versterken.

Hieronder puntsgewijs wat gedachten over eerste zinnen in het kader van goede schrijflessen.

Eerste zinnen die een heel verhaal zijn

Op mijn verjaardag kreeg ik als cadeau geld van mijn vriend

In jonge groepen is het soms al heel wat als kinderen één zin schrijven. Dat is dan de eerste en tegelijk de laatste zin, zie het voorbeeld hierboven. In de zin zit het hele verhaal ingepakt. We moeten het verhaal alleen nog uitpakken. Dat gebeurt al pratend. Wat gebeurde er nou eerst? Op welk moment gaf je vriend jou dat geld, hoe deed hij dat, wat zei hij? Zag je meteen hoeveel het was? Samen bedenken we een of twee zinnen die er nog tussen kunnen. Het verhaal wordt er spannender en beeldender van.

Een tekst die uit 1 zin bestaat

Ik liep op de gang…

Sommige kindervertellingen lijken geen eerste zin te hebben omdat ze uit 1 hele lange samengestelde nevenschikkende zin bestaan met heel veel ‘en’ tussen de zinsdelen. Er is dan discussie mogelijk over een verdeling in losse zinnen. ‘Ik liep op de gang’ als eerste zin? Of: ‘Ik liep op de gang en mijn poes lag heel erg goed verstopt’? Het eerste geeft meer spanning. Niet alles meteen weggeven. Hoe vaker je met kinderen op die manier over hun teksten praat, hoe taal- en tekstvaardiger ze worden.

 Hoe helpen aangereikte eerste zinnen beginnende schrijvers?

Op een dag ging ik iets leuks doen met mijn moeder (Uit: Joke van Leeuwen, Toen ik)

Het kan beginnende schrijvers erg helpen om een eerste zin aangereikt te krijgen. Al moet je daar voorzichtig mee zijn; het moet altijd mogelijk blijven om zelf een betere eerste zin te bedenken. ‘Ik keek uit mijn raam en ik zag….’ is een beetje saai als verplicht begin. Het stuurt teveel en lijkt een invuloefening.

Het kan goed werken om een interessante eerste zin uit goede jeugdliteratuur te halen, zoals uit het fragment hierboven van Joke van Leeuwen: ‘Op een dag ging ik iets leuks doen met mijn moeder’. Dat geeft tal van mogelijkheden voor het vervolg en zet de toon voor een vertellend/verhalend genre. Onzekere schrijvers kunnen veel houvast hebben aan zo’n beginnetje.

‘Literaire’ eerste zinnen

‘Joepi, eten!’ zegt Bobbie.

Het is heel leuk om in je groep alle individuele leesboeken tevoorschijn te halen en in de kring alle eerste zinnen te laten voorlezen en te vergelijken. Kinderen die veel lezen snappen soms al vanzelf dat je met een eerste zin onmiddellijk in een verhaal terecht kan komen, en dat het niet nodig is om eerst alles uit te leggen (in de trant van ‘We waren met mijn vader en moeder en mijn zusje en mijn twee neefjes en de buurvrouw en haar dochter naar een pretpark’). Je kunt bijvoorbeeld beginnen met iets dat iemand zegt. Zie bovenstaand verhaal door een zesjarige: ‘Joepie, eten! zegt Bobbie’. Kinderen die minder lezen kunnen hier ook achter komen, door het lezen op school bij de schrijfles te betrekken, en te ontdekken wat het effect is van allerlei soorten eerste zinnen.

 Eerste zinnen van feitelijke genres

De watersnoodramp was een hele erge ramp in de geschiedenis van Nederland

Als je de eerste zin moet bedenken van een feitelijke, informatieve tekst, moet je heel anders denken. De eerste zin moet meteen duidelijk maken waar de tekst over gaat. Dat lijkt makkelijker dan het is. Bij een feitelijke beschrijving of verklaring kan het handig zijn om eerst eens te bedenken wat je onderwerp ‘is’ of ‘was’: ‘De watersnoodramp waseen hele erge ramp,’ bijvoorbeeld.

Vanuit zo’n basiszin, die het feitelijke onderwerp vaststelt, kan je de zin best een beetje uitbreiden, door te bespreken: hoezo was het een ramp, wanneer gebeurde die ramp, kunnen we nog iets toevoegen over wat voor soort ramp het nu was of voor wie het een ramp was? Dat kan leiden tot ‘De watersnoodramp was een hele erge ramp in de geschiedenis van Nederland’, zoals in de tekst hierboven. Dat zegt al veel meer.

Stapsgewijs een eerste zin uitbreiden tot hij goed is, kan je samen met de groep proberen, en dan ieder voor zich met een eigen onderwerp. Een geweldige oefening in het bouwen en uitbreiden van zinnen, zie ook mijn eerdere blog hierover. De volgende stap kan zijn: bespreken wat er nu op die eerste zin kan volgen. Nog iets meer in het algemeen over de ramp? Of gelijk overstappen naar de oorzaken?

Het verschil tussen titels en eerste zinnen

Je hart is een belangrijke spier die je heel erg nodig hebt

Titels en eerste zinnen kunnen dicht bij elkaar liggen.  Je kunt een titel bedenken die de inhoud van de hele tekst weergeeft: ‘De werking van het hart’. Of in vraagvorm, zoals in de tekst hierboven: ‘Hoe werkt je hart en waar is het voor?’ of in de eerdere tekst over het beroep ‘juf’: ‘Wat doet een juf.’ De lezer weet dan al waar de tekst over zal gaan. Vervolgens moet je toch nog een eerste zin bedenken. Een feitelijke tekst moet beginnen met het belangrijkste feit. Zoals hier: ‘Je hart is een belangrijke spier die je heel erg nodig hebt.’ Daarna volgen de details. Het is interessant om eerste versies van teksten hierop te bespreken met kinderen: wat is het belangrijkste feit en wat zijn de details? Klopt de volgorde in je tekst? Het spreekt vanzelf dat kinderen dit alleen kunnen bedenken als ze voldoende kennis hebben opgedaan van het betreffende onderwerp.

 De lezer aanspreken in de eerste zin

Wil je meer weten over Saturnus?

Vaak spreken kinderen een lezer direct aan in de eerste zin van een feitelijke tekst. Soms in vraagvorm: ‘Wil je meer weten over Saturnus?’ Dat kan een effect zijn van spreektaalgebruik, waarbij je je inbeeldt dat je een soort spreekbeurt houdt met een luisterend publiek. Maar het kan ook een gevolg zijn van de toon van veel informatieve jeugdliteratuur. Daarin worden kinderen vaak direct aangesproken, waarschijnlijk met het idee dat ze zo meer betrokken raken bij de tekst. Het komt dan ook een beetje kinderlijk over. Maar het werkt ook wel verlevendigend. Hierover kan je met kinderen praten, het gaat dan over de ‘toon’ van de tekst: voor welke lezer is de tekst bedoeld en met welk taalgebruik bereik je bij die lezer het beste het doel? Samen alternatieven bedenken en het effect bespreken is een geweldige oefening in taal- en tekstgevoel.

Als je geïnteresseerd bent in de maan, lees dan deze tekst

Eerste zinnen van inleidingen en paragrafen

Feitelijke genres hebben vaak een inleiding, die in algemene zin iets zegt over het onderwerp en de informatie die de tekst gaat geven. Het kan de moeite waard zijn om een tijdje te werken aan het schrijven van inleidingen op feitelijke teksten, door samen hardop denkend eerste zinnen van zo’n inleiding te bedenken en door eerste versies op dit punt met elkaar te vergelijken, zoals in onderstaande afbeeldingen te zien is op een digibord.

Vergelijking van inleidingen van teksten over beroepen uit de middeleeuwen

Kinderen beginnen hun inleiding vaak met ‘In deze tekst kom je meer te weten over…’. Dat is begrijpelijk, als je nog nooit over inleidingen hebt nagedacht en de juf heeft gezegd dat je in een inleiding schrijft wat je in de tekst te weten gaat komen. Het kan een goed uitgangspunt zijn voor het zoeken naar alternatieven. En een van de beste manieren daarvoor is het bekijken van bestaande inleidingen van teksten over vergelijkbare onderwerpen. Op grond daarvan kan een leerkracht samen met kinderen alternatieve eerste zinnen van inleidingen formuleren, die opschrijven en daaruit kiezen. Zo raken kinderen geleidelijk ‘ingewijd’ in het schrijven van goede inleidingen.

In de middeleeuwen was jagen een veelgebruikte hobby bij adellieden.
Eerste zinnen van biografie over Rembrandt

Eerste zinnen van waarderende genres

Hoe begin je met een tekst waarin je je mening over iets geeft en onderbouwt (betoog)? Ik zou zeggen: gelijk met je mening. Zoals hieronder dus: ‘ik vind dat plastic kan stoppen’? In elk geval moet het standpunt van de schrijver bij een betoog duidelijk en sterk overkomen. De zin waarin het standpunt staat is dus de belangrijkste zin. Je kunt erover discussiëren of het ook de eerste zin moet zijn. Misschien is het handig om even kort de context te benoemen of de kwestie te schetsen waar je standpunt mee te maken heeft. Wat is er aan de hand met plastic? Hoezo kan je hier een mening over hebben? Dat zou kunnen leiden tot een zin als: ‘Plastic is een gevaar voor het milieu omdat het niet afgebroken kan worden.’ of: ‘De plastic soep vervuilt de oceanen.’ In de tekst hieronder zou de alinea die begint met ‘Wist je dat als je een flesje op straat gooit…. ‘ heel goed als eerste zin kunnen dienen. De alinea geeft duidelijk het probleem aan. En dan daarna het standpunt erin knallen.

Ik vind dat plastic kan stoppen want:

Om beslissingen te kunnen nemen over goede eerste zinnen van een betoog, is het essentieel om over de inhoud te praten. Wat vind je nu eigenlijk, hoezo vind je dat, en hoe zou je een argeloze lezer, die er nog nooit over heeft nagedacht, het beste mee kunnen krijgen? Hoe betrokkener je bij het onderwerp bent, hoe bevlogener je erover zult kunnen schrijven, zoals Daaf in onderstaande tekst. Zijn eerste twee zinnen geven op een bondige manier zowel de kwestie aan (het vuurwerkverbod) als zijn tweeledige standpunt: 1) ik vind het zo ontzettend jammer, en 2) het probleem wordt alleen maar verplaatst. Daarna volgen de argumenten en toelichtingen daarop.

Ik vind het zo ontzettend jammer dat vuurwerk misschien verboden wordt

Wat moet je weten en kunnen als leerkracht?

Aandacht voor eerste zinnen (en over de verdere structuur van teksten) geeft mooie kansen om in alle groepen te praten over keuzes die een schrijver kan maken en de effecten die dat heeft. Als leerkracht kan je samen met kinderen hardop denken over zulke keuzes, en deze vergelijken met de gemaakte keuzes in allerlei soorten teksten. Kennis en bewustzijn van verschillende genres is daarbij onmisbaar.

 

Wat te doen met weinig tijd voor taal?

Bron afbeelding: https://www.bco-onderwijsadvies.nl/taal-en-lezen

Als vanaf 11 mei de basisscholen weer opengaan, al dan niet met halve groepen of halve dagen, wat is dan belangrijk om te gaan doen met al die kinderen die al veel te lang thuis hebben rondgehangen? De onderwijstijd is nog beperkter dan anders. Tegelijk is er veel te doen op sociaal-emotioneel gebied met een groep kinderen die elkaar lang niet gezien hebben. Hoe gaan die kinderen en hun juffen en meesters hun gezamenlijke tijd benutten de komende weken?

De Coronacrisis heeft op allerlei terreinen geleid tot reflectie en bewustwording van wat echt belangrijk is en wat niet. Veel van wat we deden blijkt overbodig, of op zijn minst niet onmisbaar. Geldt dat ook voor, pak hem beet, het taalonderwijs? Wat was eigenlijk overbodig aan al die taallessen die je gaf, wat kan afvallen bij tijdgebrek?

Ik ben bang dat veel basisscholen hoofdzakelijk taalboekjes hebben rondgestuurd met daarbij lijstjes van paginanummers en oefeningen die gemaakt moesten worden. Er was ook niet veel tijd om snel iets anders te bedenken. Daar heb ik tegenwicht aan willen geven door zes weken lang afstands-schrijfopdrachten aan te bieden op mijn blog. Maar ik realiseerde me dat essentiële elementen van goed lees- en schrijfonderwijs waarschijnlijk zouden sneuvelen in de huiskamers: het met elkaar praten over onderwerpen en teksten, het geven van interactieve instructie en feedback op versies van teksten.

Tot aan de zomervakantie hebben we nog wat weekjes. Ik zou zeggen: zet alles op alles om je kinderen, van welke leeftijd ook, actief aan het vertellen-lezen-kijken-schrijven-tekenen te krijgen, alles binnen de samenhang van een interessant onderwerp. Vergeet even het doorwerken van de taalmethode en de bijbehorende toetsen. Grijp de ongewone situatie aan om eindelijk eens uit te proberen of het ook anders kan.

Omdat de tijd beperkt is, is het extra belangrijk dat je precies weet waar je op uit bent met de groep. Het taalonderwijs bestaat uit vier domeinen, volgens het Referentiekader Taal: spreken, lezen, schrijven en taalbeschouwing. Dat zijn drie (samenhangende) vaardigheden, en één overkoepelend kennisdomein. Het kennisdomein, dat ik nu even aanduid met de term taalbeschouwing, neemt vaak het grootste deel van de tijd voor taal in beslag: kinderen doen aan de hand van de methodes voortdurend losse oefeningen met spelling, ontleding, woordsoorten, kortweg: grammatica. Dat heeft ook een praktische reden: die oefeningen zijn overzichtelijk, gemakkelijk uit te leggen en na te kijken. De werkboekjes liggen ervoor klaar. Maar waarom zoveel tijd hieraan besteden? Zeker voor minder taalvaardige kinderen is grammatica iets dat je bij tijdgebrek beter kan loslaten (om het later weer eens te laten terugkomen op een betekenisvolle, niet geïsoleerde manier), zie ook deze blog.

Bij tijdgebrek werken aan de taalvaardigheden dus. Spreken, lezen en schrijven in samenhang. En als het aan mij ligt, mogen kijken en tekenen er ook bij. Weinig tijd voor taal zou kunnen leiden tot meer vliegen in een klap: meer integratie van de taaldomeinen, waarbij de samenhang bepaald wordt door de inhoud. Vóór in je hoofd: de kennis over het onderwerp die je bij de kinderen wilt opbouwen, en de essentiële doelen voor praten, lezen en schrijven voor jouw groep.

Kan je de taaluurtjes in je weekprogramma proberen in te vullen met interessante onderwerpen, bijvoorbeeld één onderwerp per week, waarover je met kinderen goede gesprekken voert, ze aan het denken zet door middel van lezen en schrijven, ze laat visualiseren door middel van tekenen en schema’s maken, en ze zo mogelijk ook iets met hun handen laat doen?

Hieronder een schema waarin ik deze aanpak probeer te visualiseren:

De pijlen geven de wederzijdse relaties tussen de onderdelen aan. Lezen, kijken, iets met je handen doen, allemaal rondom hetzelfde onderwerp. In het wolkje staan de taalactiviteiten. Als leerkracht zet je je taalbril op als kinderen praten, lezen en schrijven. Hoe krijg je ze daarbij actief aan het denken en hoe stimuleer je ze om dat denken in passende taal om te zetten? Hoe kan je ze stapsgewijs ondersteunen bij het lezen van teksten en bij het zelf schrijven van een tekst?

Begin bij het onderwerp. Kies relevante onderwerpen die samenhangen met de doelen van de zaakvakken. Een belangrijk aandachtspunt is: maak het niet te ingewikkeld, houd activiteiten kort, doelgericht en opeenvolgend. Maar zorg wel dat je minimaal een week bij hetzelfde onderwerp blijft, zodat de kinderen tijd krijgen om geleidelijk hun kennis daarover op te bouwen en erover na te denken. Het kan daarbij een voordeel zijn dat je met een halve groep werkt, dat geeft meer mogelijkheden voor zinvolle gesprekken en voor goede begeleiding bij lezen en schrijven.

Ik beschrijf hieronder puntsgewijs wat het betekent als je je taalbril opzet bij deze kleine projectjes. Ik geef verschillende aandachtspunten en voorbeelden, die je hopelijk inspireren en waaruit je een keuze kunt maken.

Aandachtspunten bij lezen en kijken:

  • Meerdere rijke teksten selecteren over hetzelfde onderwerp (zowel gedrukt als digitaal)
  • Leesbegrip monitoren (lees/kijk, stop, praat: snap je nog wat je leest/ziet/hoort?)
  • Verbinden met achtergrondkennis (wat is nieuw, wat wist je al, wat wil je nog meer weten?)
  • Vragen stellen (wat snap je nog niet? Welke vraag of gedachte komt bij dit stukje in je hoofd op?)
  • Betekenis afleiden en visualiseren (wat zouden ze hier kunnen bedoelen en hoezo denk je dat, wat kan je er nu over tekenen of in een tabel zetten?)
  • Vaststellen wat belangrijk is in een tekst (in welk stukje staat/zie je/hoor je wat je wilt weten?)
  • Samenvatten en samenvoegen (in drie zinnen vertellen wat in de tekst staat of in het filmpje te zien is, twee teksten of filmpjes over hetzelfde onderwerp vergelijken, schema/mindmap van de tekst maken)
  • Bij kleuters en groep 3: werken met meerdere prentenboeken over hetzelfde onderwerp en samen platen bekijken en bespreken.

Aandachtspunten bij schrijfopdrachten:

  • Korte tekst laten schrijven
  • Duidelijk schrijf-/tekendoel benoemen en bespreken
  • Enkele duidelijke succescriteria geven, eventueel met hulpzinnetjes of een vooraf gegeven opbouw
  • Kennis over de inhoud voldoende voorbereiden, vanuit leesteksten, filmpjes en gesprekken
  • Eerst hardop denkend onderdeel van de opdracht voordoen of samendoen (modelen)
  • Daarna schrijven/tekenen, eventueel in tweetallen (als je denkt dat dit ondersteunend is)
  • Daarna stukjes tekst of tekeningen bespreken en reviseren op vooraf gegeven criteria
  • Hetzelfde doen bij het bespreken van tekeningen of schema’s
  • Niet streven naar perfectie maar naar zinvol bezig zijn met schrijven

Voorbeelden van korte schrijfopdrachten

Denk goed na over doelen van de teksten die je de kinderen wilt laten schrijven. Wat moet hun tekst precies doen? Vermijd de neiging om steeds naar het genre verhaal te grijpen. Voorbeelden:

  • Korte uitleg (genre beschrijvingof verklaring): 1 alinea
  • Eén deelonderwerpje (genre beschrijving)
  • Stukje vertelling, bv alleen het begin, of een moment uit een vertelde gebeurtenis (genre vertelling/verhaal)
  • Kort verslag van een proces (genre verslag, historisch, aardrijkskundig of natuurkundig)
  • Instructietekstmet illustratie (genre procedure)
  • Betoogjewaarin standpunt met twee argumenten en onderbouwing (genre betoog)
  • Vergelijking van twee gezichtspunten uit de gelezen teksten (genre beschouwing)

Voorbeelden van teken- en visualiseringsopdrachten:

  • Drie keer stoppen met (voor)lezen en tekenen wat je in je hoofd voor plaatje ziet
  • Een verhaal of proces verdelen in opeenvolgende situaties/momenten en die stuk voor stuk tekenen in een tekeningenschema
  • Een object tekenen in een groot vak en de verschillende onderdelen in kleine vakjes daaromheen
  • Een structuurschema, mindmap of tabel tekenen en invullen over de inhoud van een tekst
  • Belangrijke woorden (zelfstandig naamwoorden of werkwoorden) uit een tekst tekenen
  • Een infographic maken door plaatjes en tekstjes op een doelgerichte manier op een vlak te plaatsen
  • Een instructie in beeld maken met behulp van zo min mogelijk woorden
Getekend verslag van een proefje
Tekening van evolutie van water- naar landdier
Ingrediënten tekenen voor een recept

Voorbeelden van doe-opdrachten

  • Een proefje doen
  • Buiten iets observeren en natekenen of fotograferen
  • Een maak/knutselopdrachtje
  • Een spelletje of kunstje doen
  • Een scènetje uitspelen
  • Iets meten, bouwen of uit elkaar halen
  • Iemand interviewen

Misschien denk je dat het veel voorbereiding kost. Dat kan meevallen. Zeker als je school beschikt over een mediatheek met goede kinderboeken, en als je gewend bent op betrouwbare websites, zoals deze en deze, te zoeken naar filmpjes en teksten die voor jouw leeftijdsgroep geschikt zijn. Belangrijk is ook dat je jezelf de ruimte geeft om uit te proberen en bij te stellen. En dat je niet te lang piekert over de juiste tekst of opdracht…

Je kunt je laten inspireren door de multimodale opdrachten over bijen die ik op mijn blog plaatste. Daarin zijn veel van bovengenoemde principes terug te vinden. De onlinevorm kan je omzetten naar activiteiten in de klas, veel effectiever natuurlijk. Ik ben benieuwd wat jullie ontdekken over de lees- en schrijfmotivatie van de kinderen in je groep bij deze aanpak van je taalonderwijs. Maak van je klas een praat-, lees- en schrijfgrage groep!

Coronaschrijven week 6

 

Het waren spannende weken voor de scholen. En nu wordt het opnieuw spannend: gaan de scholen weer open? Of ze nu dicht blijven of opengaan, het is goed om kinderen te blijven stimuleren tot schrijven. Online of offline. In deze blog geen uitgewerkte nieuwe opdrachten, maar een paar reflecties op de uitvoering, een simpele opzet voor een taalronde over Coronatijd-ervaringen en voorbeelden van opgestuurde kinderteksten.

Online en offline tot schrijven komen

De schrijfopdrachten die ik de afgelopen weken op mijn blog heb geplaatst, bevatten allemaal het belangrijke didactische principe eerst praten, dan schrijven.  Daarbij ben ik ervan uitgegaan dat kinderen thuis wel iemand kunnen vinden om mee te praten: een ouder, een ander familielid of huisgenoot, een vriendje uit de straat. Een soort noodoplossing, die mogelijk toch hier en daar tot leuke gesprekken heeft geleid.

Ik hoorde dat het sommige scholen gelukt is om online contactmomenten te organiseren met kinderen via platforms als Zoom of Skype, Social Schools of Google Classroom. Daardoor konden leerkrachten een-op-een gesprekjes voeren met kinderen, of met een klein groepje, of zelfs met een hele groep. Zulke gesprekken kunnen heel goed de basis zijn voor het daarna schrijven van teksten.

Ook in schoolteams kan dat: het 20-koppige team van basisschool de Archipel in Amsterdam wisselde ervaringen met elkaar uit via een Zoom-bijeenkomst, op de manier zoals je dat ook zou doen in een vertelkring met kinderen. De gespreksleider stelde vragen naar speciale ervaringen in de Coronatijd, zoals:

  • Hoe ben je in beweging gebleven?
  • Hoe heb je aandacht gegeven aan mensen die je niet in het echt kon ontmoeten?
  • Welke plaats in huis is nu belangrijk voor jou geworden?
  • Wat heb je gedaan wat je anders waarschijnlijk niet gedaan had?

Aan de hand van korte vertelbeurten werd verteld over kleine ervaringen, daarna maakte elk teamlid een lijstje van ervaringen die bij hem of haar naar boven waren gekomen tijdens deze vertelronde. Hieruit koos iedereen voor zichzelf een onderwerp om een tekst over te schrijven, eventueel voorzien van een foto. De teksten zijn op een Padlet-muur geplaatst waar iedereen ze kon lezen, zie hieronder een fragment daarvan:

Schoolteam schrijft over Corona-ervaringen

Aan de teksten is duidelijk te merken hoeveel plezier deze collega’s hadden in het op schrift stellen van een kleine Coronatijd-ervaring. Op deze mooie manier is iets vastgelegd en gedeeld over deze vreemde periode, en hebben de leerkrachten zich tegelijkertijd voorbereid op een soortgelijke taalronde met kinderen, online of gewoon weer in de klas. Geen betere voorbereiding van een taalronde of andere schrijfles, dan eerst zelf vertellen en schrijven over het onderwerp!

Ik stel me voor dat je dit precies zo kunt doen met kinderen, en je ze naast de vragen hierboven nog meer vragen kunt stellen:

  • Wie heeft ook een nieuw spel gedaan of bedacht?
  • Wie heeft ook iets samen met een moeder of vader gedaan dat je anders niet zo snel doet?
  • Wie heeft ook online met iemand gepraat met wie je anders in het echt praat?
  • Wie heeft zich meer verveeld dan anders?
  • Wat ging niet door en wat kwam ervoor in de plaats?
  • Wat gebeurde wat je niet had verwacht?

Na de vertelronde maken kinderen een lijstje met ongewone dingen die de afgelopen tijd gebeurden, kiezen daar een uit, vertellen eventueel nog eens in tweetallen over de gekozen gebeurtenis, en schrijven dan zo precies mogelijk op hoe het gegaan is. Foto of tekening erbij. Als de teksten daarna in de groep gedeeld kunnen worden, bijvoorbeeld via Padlet, kan naast de schrijfmotivatie ook het groepsgevoel weer een impuls krijgen.

Online feedback geven op teksten

Van meerdere leerkrachten kreeg ik de afgelopen weken vragen over het geven van feedback op ingeleverde kinderteksten. Zonder feedback leer je niet schrijven, zoveel staat vast. Maar moet je daar in deze tijd wel de nadruk op leggen? Ben je niet al blij als kinderen überhaupt iets schrijven en opsturen? Een leerkracht mailde me over ingezonden recepten van haar groep 5:

In de klas loop ik rond en help ik ze ter plekke. Maar nu zie ik alleen het eindproduct op een foto die ze met veel inzet hebben gemaakt. Ze hebben dan thuis een goed gevoel, papa en/of mama zijn ingezet, en het is af. Klaar. Punt. Door naar het volgende…. Ik vind het lastig om daar dan iets anders dan alleen maar “heel erg bedankt en wat mooi en was het lekker?” op terug te geven. Ik heb 1 kind geprobeerd, zijn tekst was slecht leesbaar, met veel doorkrassen. Dus ik opperde voorzichtig dat hij het misschien nog netjes zou kunnen schrijven, zodat ik het recept thuis ook kon maken. Maar ik kreeg terug dat hij daar niet aan wilde beginnen. Dan maakte ik het toch niet thuis? Ook de vader had er wel even tabak van. En dat kan ik me zo goed voorstellen. 

Groep 5: recept voor wentelteefjes

Zeer voorstelbaar allemaal. Blij zijn met teksten, ze verwelkomen en behandelen als kostbaarheden, dat blijft een onderdeel van de positieve schrijfcultuur die je nodig hebt als je wilt dat kinderen verder komen met schrijven. Nu nog meer dan normaal. Toch is feedback geven daarmee niet in tegenspraak. Als je onder feedback verstaat: opdragen om spelfouten te verbeteren of de tekst netter te maken, of opmerken wat er allemaal niet goed aan is, zullen kinderen er niet veel mee hebben. Maar als feedback in de eerste plaats betekent: een reactie op de inhoud van een tekst, bijvoorbeeld in de vorm van vragen, en als ook duidelijk wordt wat er goed en interessant is aan de tekst, komt dat heel anders over. Leerkrachten kunnen zich aanwennen om primair op de inhoud van een tekst te reageren en niet direct op de vorm. Waarmee ik niet wil zeggen dat de vorm niet belangrijk is, maar dat hij volgt op de bedoeling en inhoud van een tekst en dus niet los vooropstaat.

Op afstand met kinderen communiceren over hun teksten is natuurlijk tien keer moeilijker dan als je naast ze staat in de klas. Maar het is de moeite waard om ook in deze omstandigheden te proberen ze te motiveren tot het opnieuw lezen, veranderen en verbeteren van hun teksten en daarvan iets te leren. Hier mijn tips:

  • Maak van tevoren duidelijk dat je feedback gaat teruggeven op bepaalde criteria. Dan is dat niet onverwacht en kijkt een kind er mogelijk ook naar uit. Als je pas met die criteria komt nadat ze al een tekst hebben geschreven, komt het ineens uit de lucht vallen.
  • Herschrijven moet heel precies geïnstrueerd worden. Ook moet expliciet duidelijk zijn wat je ervan leert. Dat moet een leerkracht benoemen en laten zien. En er moet een gewoonte komen om te werken met verschillende versies van een tekst – dus niet meteen in het net! Ook op afstand zou je dit kunnen aankondigen: stuur eerst je kladversie terug, daar werken we dan nog aan voordat we hem echt afmaken.
  • Verzamel alle teksten, publiceer ze op een online schoolplatform of op Padlet, zodat alle kinderen elkaars teksten kunnen lezen. Dat motiveert in een latere fase ook om teksten echt goed te maken.
  • Als je af en toe online contact met de kinderen hebt: praat samen over de teksten, stel vragen over wat je niet begrijpt, benoem wat er goed aan is, wat er nog sterker aan zou kunnen. Dan hoef je dat niet eens daadwerkelijk te verbeteren, maar leren ze toch iets en vergelijken ze hun eigen teksten met die van anderen. Kan misschien het beste met kleine groepjes.
  • Stuur bij elke ontvangen tekst een of meer vragen terug. Wat heb jij niet helemaal begrepen? Een vraag is minder aanvallend dan een aangestreepte fout of een verbeteropdracht. Je kunt ze vragen om deze vragen per omgaande te beantwoorden. Daarop geef je feedback in de vorm van suggesties wat de tekst sterker had gemaakt. Misschien kan je dit ook door kinderen bij elkaars teksten laten doen (in tweetallen). En dan alles naar jou laten cc-en.

NB Dit is allemaal experimenteel, het kost tijd, het lukt misschien niet precies zoals je het gewild had. Probeer het gewoon en kijk wat je ervan kunt leren!

Kinderteksten

Hieronder wil ik tot slot een aantal teksten laten zien die kinderen via mail of app hebben opgestuurd aan hun juf of meester, vaak in de vorm van gefotografeerde tekeningen en handgeschreven teksten. Dank voor het sturen, stuur er nog meer!

Groep 1-2: iets wat je op de bank gedaan hebt

Groep 1-2: iets wat je op de bank gedaan hebt

 

Groep 4: instructie voor hoe je moet zagen

 

Groep 5: feitelijke tekst over vogels in de buurt van je huis

 

Groep 5: feitelijke tekst over vogels in de buurt van je huis

 

Groep 8: Nieuwsbericht over Corona

Coronaschrijven – week 5

 

Vorige week heb ik de suggestie gedaan om kinderen mondeling over een voorwerp te laten vertellen en dit in de vorm van een 1-minuut-filmpje op te sturen naar hun juf of meester, die dit op een schoolplatform kan plaatsen zodat het voor anderen zichtbaar is. Zo kunnen kinderen misschien toch op afstand iets aan elkaar vertellen en daarnaar luisteren, ter voorbereiding van een schrijfopdracht. Deze week wil ik doorgaan op deze ‘multimodale’ aanpak, door het bekijken van een filmpje te koppelen aan een praat-, een lees-, een teken- en een schrijfopdracht.

Wat is multimodaal werken? In mijn ogen: een interessant onderwerp bij de kop pakken, en hierover iets bekijken of beluisteren, erover praten, erover lezen, erover tekenen, erover schrijven. Je ontwerpt op die manier een cluster van activiteiten rondom het onderwerp. Daarbij probeer je de opdrachten zo vorm te geven dat leerlingen nauwkeurig en doelgericht kijken, luisteren, lezen en schrijven. Ze gaan nadenken, verschillende informatiebronnen en communicatievormen met elkaar in verband brengen, en actief taal gebruiken. Dat past bij het diagram over multimodale geletterdheid dat ik in een eerdere blog al presenteerde:

Bron afbeelding: Walsh, M. (2010). Multimodal literacy: What does it mean for classroom practice? In: Australian Journal of Language and Literacy, Vol 33 nr 3, pp 211-239, January 2010

Het diagram laat zien hoe kinderen hun multimodale geletterdheid ontwikkelen door doelgericht te werken met verschillende typen tekst: gedrukt, gesproken, digitaal, multi-mediaal (bestaande uit meerdere media zoals tekst,(film)beeld, geluid). En dat is ook wat ze zullen moeten leren in deze tijd.

Het lijkt mij de moeite waard om te bekijken of kinderen ook zonder begeleiding van hun juf of meester tot nadenken en rijk taalgebruik kunnen worden aangezet. Wat gebeurt er als kinderen een kijkopdracht, een luister/leesopdracht, een tekenopdracht en een schrijfopdracht met elkaar verbinden? En als ze daarbij zowel online als offline kunnen werken? Inmiddels hebben ze misschien al genoeg gekregen van thuis oefeningen maken uit het taalboek. Zouden we kunnen beginnen met hun interesse te wekken in een onderwerp, en ze daarbij stiekem aan het kijken, lezen, praten, tekenen en schrijven krijgen? Zou dat ook kunnen werken bij die kinderen die van huis uit weinig steun krijgen?

Ik geef weer voorbeelden voor de verschillende leeftijdsgroepen. Het onderwerp is deze keer: insecten. Daarbij zoom/zoem ik in op bijen.

Start is steeds het bekijken van een filmpje. Eventueel aangevuld met observaties van bijen in de eigen omgeving, als dat mogelijk is. Daarna volgt een reeksje andere opdrachten, gericht op praten, luisteren, lezen, schrijven in samenhang.

 Deelonderwerpen:

Groep 1-3: wat is een bij en wat doet hij?

Groep 4-6: verschillende soorten bijen

Groep 6-8: waarom bijen belangrijk voor ons zijn

NB sommige onderwerpen kunnen (met aangepaste opdrachten) ook voor een andere bouw interessant zijn.

Hierna een toelichting bij deze opdrachten. De uitwerking plus hulpmiddelen vind je weer via de link naar de categorie schrijfopdrachten van deze website.

Groep 1-3: wat is een bij en wat doet hij?

Kijken en praten

Filmpje:

  • Bekijk samen met iemand dit filmpje, zonder geluid. Kijk heel goed naar wat de bij doet en praat er samen over, wat denk je dat hij doet en wat zie je?
  • Bekijk het filmpje nu met geluid. Luister goed. Klopt het wat jullie dachten? Wat wist je nog niet?

Plaatjes bekijken samen met iemand op deze website:

Nederlands soortenregister

Klik op enkele bijenfoto’s op deze en volgende pagina’s en bekijk ze goed. Praat er samen met iemand over. Welke vind je heel mooi, welke vind je eng? Laat iemand de namen aan je voorlezen en probeer ze na te zeggen.

Tekenen en schrijven

  • Teken in het kader wat een bij vaak doet, [of: waar jij weleens een bij hebt gezien]
  • Vertel aan een huisgenoot wat een bij doet, [of: wat gebeurde er toen jij die bij zag]
  • De huisgenoot schrijft je tekst bij de tekening.
  • Stuur je taaltekening naar je juf of meester.

Groep 4-6: verschillende soorten bijen

Bron afbeelding: https://www.nederlandsesoorten.nl

Kijken en praten

Bekijk samen met iemand twee filmpjes:

  1. https://www.youtube.com/watch?v=GNV44ZbpkK
  2. https://schooltv.nl/video/hommels-een-grote-harige-bij/

Wat zie je de bij doen in filmpje 1 en in filmpje 2?

Wat is anders, wat is hetzelfde?

Stop steeds het filmpje door de pauzeknop aan te klikken, zodat je even goed kunt kijken en erover praten met iemand anders.

Kijken en tekenen

Bekijk deze website met foto’s van bijen. Door op een foto te klikken zie je de foto in het groot.  Je kunt onderaan de pagina op een nummertje klikken om de volgende pagina met foto’s te zien. Er zijn er heel veel, dus niet alles bekijken!

Kies drie bijensoorten uit waarvan je de naam het leukst vindt.

Teken ze zo precies mogelijk na in de vakjes. Zet de namen eronder.

Kijken en schrijven

Maak samen met een huisgenoot een tabel van kenmerken van deze drie bijensoorten. Bovenaan elke kolom schrijf je de naam van de soort, daaronder zoveel mogelijk kenmerken.

Naam bij 1: Naam bij 2: Naam bij 3:
 

 

 

 

Bespreek met iemand: wat lijkt op elkaar, wat is anders aan elke bij?

Lezen

Lees samen met iemand deze tekst over de verschillen tussen een hommel en een bij. Voorlezen en luisteren mag ook.

Wat lijkt op elkaar bij een hommel en een bij, wat is anders?

 Schrijven

Schrijf een tekst over de verschillen tussen de drie bijensoorten die je al hebt getekend. Doe het net zo als in de tekst die je net hebt gelezen. Je kunt beginnen met de zin:

Deze bijen lijken echt op elkaar, maar er zijn duidelijke verschillen.

Daarna noem je de verschillen op. Gebruik bij het schrijven de tabel die je hebt ingevuld.

Plak de tekst onder de tekeningen.

Nog een keer kijken

Bekijk nog eens de twee filmpjes waar je mee begon. Zie je in deze filmpjes ook verschillende bijen? Wat zijn de verschillen?

Kan je deze bijen terugvinden in het Nederlands soortenregister? Kijk samen met iemand of het lukt om ze te vinden. Wat is lastig bij het zoeken?

Stuur je tekst met tekeningen naar je juf of meester.

Groep 6-8: waarom bijen belangrijk voor ons zijn

Bron afbeelding: https://bijenclub.com/imker-kennisbank/veel-gestelde-vragen/hoe-verzamelen-bijen-stuifmeel/

Kijken en praten

  1. Filmpje 1

Kijk goed naar dit filmpje. Wat doet de bij volgens jou?

  1. Filmpje 2

Zie je op dit filmpje hoe de bij het stuifmeel vervoert? Stuifmeel is: kleine gele korreltjes die op bloemen zitten. Kijk goed en zet af en toe het beeld stil om dit heel goed te kunnen zien. Schrijf op hoe je denkt dat de bij dit doet.

Lezen en denken

Lees drie teksten over bestuiving.

  1. http://www.hetkleineloo.nl/artikel/171/
  2. https://natuurwijzer.naturalis.nl/leerobjecten/handig-bepakte-bijen
  3. https://bijenclub.com/imker-kennisbank/veel-gestelde-vragen/hoe-verzamelen-bijen-stuifmeel/

Weet je nu wat een bij doet met stuifmeel en waarom? Wat is volgens jou bestuiving? Praat er even over met iemand. Beantwoord deze vragen op werkblad 1.

Vergelijk de teksten:

Wat lees je in tekst 1 over het vervoeren van stuifmeel, wat in tekst 2 en wat in tekst 3?

Kijken en schrijven

Bekijk filmpje 3:  Bijen in de knel.

Schrijf een tekst waarin je uitlegt waarom bijen belangrijk voor ons zijn. Gebruik wat je in het filmpje hebt gezien en gehoord, en wat je eerder in de teksten hebt gelezen. Kijk daarvoor eventueel het filmpje nog een keer. Schrijf de tekst op werkblad 2.

Schrijf je tekst in drie stukjes:

  1. wat een bij precies doet met stuifmeel en waarom
  2. waarom het belangrijk is voor ons dat bijen stuifmeel vervoeren
  3. hoe het komt dat er te weinig bijen zijn en wat we eraan kunnen doen

Stuur deze tekst naar je juf of meester.

Link naar de schrijfopdrachten

 

 

 

Coronaschrijven week 4

   

In de afgelopen drie weken is enorm veel uitgeprobeerd op het gebied van thuisonderwijs. Scholen verzinnen allerlei manieren om contact met de kinderen te houden en om ze aan zinvol werk te zetten. Het internet bruist van de leuke ideetjes. Wat mij het moeilijkst lijkt: om ook de kwaliteit van het onderwijs nog een beetje vast te houden en niet alleen maar werkboekjes of losse opdrachten uit te delen.

Voor schrijfopdrachten betekent dat: heel veel aandacht besteden aan de nauwkeurigheid van je schrijf- (of teken-) opdracht. Daar komt nu bij dat je die opdracht niet alleen begrijpelijk moet formuleren voor een kind, maar ook nog voor een helpende huisgenoot. Lastig, maar ook een kans om zelf beter na te denken over wat je wilt dat een kind gaat doen en leren. De schrijfopdrachten die ik op mijn blog aanbied zijn bedoeld als voorbeelden, die je kunt gebruiken om je eigen opdrachten mee te ontwerpen. Vandaar ook dat ik ze heb opgeslagen als Word-documenten waaraan je zelf kunt sleutelen.

Zoals ik in mijn vorige blog schreef is het verder cruciaal dat kinderen met iemand thuis kunnen praten over het schrijfonderwerp, en dat ze feedback krijgen op de teksten/taaltekeningen die ze naar hun leerkracht sturen. Zonder dat is een schrijfopdracht voor de meeste kinderen een losse flodder waar ze niet veel van leren.

Inmiddels hoor ik van veel scholen dat kinderen allerlei producten kunnen plaatsen op online leeromgevingen van de school en daar ook elkaars werk kunnen zien. Ook bestaan er interactieve platforms waar je teksten en beelden met elkaar kunt delen, zoals Padlet, zie ook dit blog daarover. Dat geeft prachtige mogelijkheden voor schrijfonderwijs: je tekst op een muur plaatsen, samen met teksten van al je groepsgenoten, en daarover dan bijvoorbeeld een online vraag-en-antwoord-sessie organiseren.

Ik probeer jullie deze week opnieuw te helpen met ideeën. Deze keer heb ik nagedacht over het benutten van meerdere digitale middelen. ‘Multimodale’ opdrachtjes dus, iets waarover ik in een vorig blog schreef. Alles gaat digitaal, dus we kunnen naast schrijven en tekenen ook fotograferen, filmen en geluidsopnames maken. Al die modaliteiten komen bij elkaar binnen een onderwerp.

Voorwerpen bij jou thuis

 Het lijkt mij leuk als kinderen van alle leeftijden vertellen, schrijven en tekenen over een voorwerp dat ze thuis hebben. Allemaal beginnen ze met het zoeken van voorwerpen binnen een bepaalde, gegeven categorie, bijvoorbeeld ‘oude’ voorwerpen, of ‘gereedschap’. Ze kiezen er drie uit. Uit deze serie kiezen ze er vervolgens weer één, waarbij ze het meest kunnen vertellen.

Ze maken met hulp van een huisgenoot, of zelfstandig, een filmpje van max 1 minuut waarin ze het voorwerp laten zien en erbij vertellen volgens een opdracht. Dat filmpje uploaden ze naar de schoolwebsite of sturen het op een andere manier naar hun meester of juf. Er volgt een werkvorm waarbij vragen gesteld worden naar aanleiding van de filmpjes, door de juf of door een klasgenoot. Die vragen worden opgestuurd en beantwoord, mondeling of schriftelijk.

Hierna volgt de teken-/schrijfopdracht: teken je voorwerp zo precies mogelijk, in de omgeving waar het hoort, en schrijf er een tekst bij volgens een bijgevoegde opdracht. Deze teksten worden aan de leerkracht gestuurd die er feedback op geeft, of peer-feedback regelt volgens bepaalde criteria.

Hieronder voor elke bouw een opdracht volgens dit stramien:

Groep 1-3: een voorwerp bij jou thuis dat vaak gebruikt wordt

Groep 4-6: een handig voorwerp of apparaat bij jou thuis

Groep 6-8: een bijzonder voorwerp bij jou thuis dat je niet kwijt zou willen

NB sommige onderwerpen kunnen (met aangepaste opdrachten) ook voor een andere bouw interessant zijn. NB2 je kunt zelf ook andere categorieën bedenken.

Hierna een toelichting bij deze opdrachten. De uitwerking plus hulpmiddelen vind je weer via de link naar de categorie schrijfopdrachten van deze website.

Multimodale opdracht voor groep 1-3: een voorwerp bij jou thuis dat vaak gebruikt wordt

  • Zoek samen met je moeder, vader, opa of iemand anders drie voorwerpen in huis die vaak gebruikt worden door jou of iemand anders, en die je leuk vindt.
  • Leg ze op tafel en vertel bij elk voorwerp wat je er mee kunt doen en hoe.
  • Kies een van de drie voorwerpen waarbij je het meest kunt vertellen.
  • Neem samen een filmpje op van maximaal 1 minuut, waarin jij het voorwerp goed laat zien en aan je klasgenoten vertelt wat je er mee kunt doen, wie dat vaak doet, hoe het moet, of jij er al eens iets mee gedaan hebt, wat je er verder nog bij wilt vertellen. Er mag iemand meepraten of vragen stellen. Denk eraan om eerst even te oefenen voor je gaat opnemen!
  • Stuur dat filmpje naar je juf of meester.
  • Bekijk samen met een van je ouders filmpjes van andere kinderen.
  • Maak een tekening van jouw eigen voorwerp op de plek waar het vaak gebruikt wordt.
  • Vertel nog eens aan een van je ouders hoe en wanneer je het voorwerp gebruikt hebt; zij schrijven de tekst bij de tekening.
  • Stuur de tekening met tekst naar school en lees samen met een ouder de tekeningen van andere kinderen.

Multimodale opdracht voor groep 4-6: een handig voorwerp of apparaat bij jou thuis

  • Zoek samen drie voorwerpen in je huis die je handig vindt. Het kunnen ook apparaten zijn, maar het mag geen telefoon of computer zijn. Denk aan gereedschap, huishoudelijke apparaten, handige meubels, iets handigs aan je fiets.
  • Leg ze alledrie op tafel en vertel bij elk voorwerp aan een huisgenoot wat je er mee kunt doen en hoe. Praat er samen een beetje over door.
  • Kies een van de drie voorwerpen waarbij je het meest kunt vertellen.
  • Neem samen een filmpje op van maximaal 1 minuut, waarin jij het voorwerp goed laat zien en aan je klasgenoten vertelt wat er handig is aan het voorwerp, wat je er mee kunt doen, wie dat vaak doet, hoe het precies werkt, wat jij er weleens mee gedaan hebt, en wat je er verder nog bij wilt vertellen. Er mag iemand meepraten of vragen stellen. Denk eraan om eerst even te oefenen voor je gaat opnemen!
  • Stuur dat filmpje naar je juf of meester.
  • Bekijk samen met een van je ouders filmpjes van andere kinderen. Schrijf bij één filmpje van een ander kind drie vragen op en stuur deze op.
  • Beantwoord schriftelijk de vragen die je zelf van een ander hebt gekregen.
  • Teken jouw eigen voorwerp zo precies mogelijk na en schrijf met pijltjes bij alle onderdelen waar ze voor dienen.
  • Schrijf een tekst bij deze tekening in vijf stukjes: 1) wat het is en wat je ermee kunt doen, 2) hoe het precies werkt, 3) wat er moeilijk aan is, 4) wat er makkelijk of leuk aan is, 5) hoe het ging toen je het een keer gebruikte.
  • Stuur de tekening met tekst naar je juf of meester. Die stuurt een vraag terug.

Multimodale opdracht voor groep 6-8: een bijzonder voorwerp bij jou thuis dat je niet kwijt zou willen

  • Zoek samen twee of drie bijzondere voorwerpen in je huis die je nooit kwijt zou willen en die iets voor jou of je familie betekenen. Je kunt denken aan een bijzonder aandenken aan iemand, een sieraad, iets dat aan de muur hangt of in de vensterbank staat, een speciale foto, een heel oud ding, iets dat je hebt gevonden en bewaard, iets dat met het land van je ouders te maken heeft, iets dat iemand speciaal voor jou gemaakt heeft.
  • Leg ze alledrie op tafel, bekijk ze goed en vertel bij elk voorwerp aan een huisgenoot waar het vandaan komt, hoe je eraan komt, wat je er mee doet, wat er voor jou belangrijk aan is, etcetera.
  • Kies een van de drie voorwerpen waarbij je het meest kunt vertellen.
  • Neem samen een filmpje op van maximaal 1 minuut, waarin jij het voorwerp goed laat zien en aan je klasgenoten vertelt wat er bijzonder aan het voorwerp is, hoe je er aan komt, waar je het bewaart, en wat je er verder nog bij wilt vertellen. Denk eraan om eerst even te oefenen voor je gaat opnemen!
  • Stuur dat filmpje naar je juf of meester.
  • Bekijk de filmpjes van andere kinderen. Schrijf bij één filmpje van een ander kind drie vragen op en stuur deze op.
  • Beantwoord schriftelijk de vragen die je zelf van een ander hebt gekregen.
  • Teken jouw eigen voorwerp zo precies mogelijk na waarbij je ook heel precies tekent waar het voorwerp staat, hangt of ligt.
  • Schrijf een tekst bij deze tekening met de volgende onderdelen: 1) een beschrijving van het voorwerp en hoe je eraan komt, 2) wat maakt dat dit voor jou een bijzonder of belangrijk voorwerp is.
  • Stuur de tekening met tekst naar je juf of meester. Die stuurt een vraag terug.

 

Coronaschrijven – week 3

 

 

 

 

 

 

De derde week van de schoolsluiting breekt aan. Een explosie van creatieve ideeën is losgebarsten om kinderen toch op afstand aan het leren en werken te houden. Het werkt, omdat het moet, omdat er veel meer online kan dan we dachten, en omdat ouders meewerken. Het werkt niet, omdat de interactie met de leraar onmisbaar is, en omdat het sommige ouders niet lukt om hun kind te begeleiden en te stimuleren. Ik hoor dat flink wat kinderen in dat proces onder de radar zijn weggeraakt.

Toch maar blijven proberen en de mooie dingen vieren! Zie bijvoorbeeld dit initiatief waarin scholieren worden aangemoedigd om aan de hand van vijf vragen teksten, tekeningen of filmpjes in te sturen over hun gedachten tijdens deze crisis.

Dan over schrijfopdrachten op afstand. Een opdracht uitdelen is één ding, maar daar vervolgens feedback op geven, een van de belangrijkste strategieën voor leren, is nog wel een lastig tweede ding! Toch is dat laatste waar ik de nadruk op wil leggen. Voordat ik mijn derde reeks schrijfopdrachten aanbied, hier een korte reflectie op de achterliggende visie op leren schrijven.

Kinderen aan het schrijven krijgen is misschien niet eens zo heel lastig. Veel kinderen kunnen met een eenvoudige opdracht wel uit de voeten, mits het onderwerp ze een beetje aanspreekt. Maar als ze heel erg hard moeten nadenken over dat onderwerp, en ook nog over het schrijfdoel en de criteria, en ze tegelijk al aan het schrijven zijn, gaat het mis. In een recent verschenen artikel over de taalronde wordt dat verklaard aan de hand van de theorie van de cognitieve belasting (zie voor een heldere uitleg van die theorie Kirschner, Claessens & Raaijmakers, 2018): het werkgeheugen heeft maar een beperkte capaciteit en beginnende schrijvers kunnen niet alle onderdelen van het complexe schrijfproces tegelijk inzetten.

Bron: http://tijdschrifttaal.nl

De taalronde werkt goed omdat de stapsgewijze aanpak rekening houdt met dit gegeven. De leerkracht neemt kinderen bij de hand, door ze eerst over een schrijfonderwerp te laten praten, en door te werken met lijstjes en tekeningen voorafgaand aan het schrijven. Ook het bespreken van eerste versies geeft het werkgeheugen ruimte om geleidelijk toe te werken naar het einddoel: een goede tekst. En dus te leren schrijven.

Deze principes probeer ik ook in mijn online schrijfopdrachten te verwerken. Dat is natuurlijk wel even wat lastiger dan als je met je groep in de klas zit. Een kind zit aan de keukentafel, als hij geluk heeft met iemand ernaast om mee te praten, maar mogelijk ook in zijn eentje. Hoe kan je zorgen dat je opdracht niet teveel tegelijk vraagt van het werkgeheugen, en dat er ook nog iets geleerd wordt?

Ik doe dat door kleine stappen in te bouwen in het schrijfproces, ook aan die keukentafel. Eerst even vertellen, eerst eens iets lezen of bekijken, eerst tekenen. En ook door hulpmiddeltjes aan te bieden bij het schrijven, zoals een structuurschema, een tekenblad, of beginnetjes van zinnen. Daarnaast zo concreet mogelijk aangeven wat het doel van de tekst is (het genre) en waar een tekst aan moet voldoen. Zodat de leerkracht die de teksten terugkrijgt, aan de hand van die criteria feedback kan geven.

Bij kleuters en groep 3 ligt de nadruk op de kwaliteit van het mondelinge vertellen en het tekenen. Ik bied vragen aan die je kunt stellen, en een zo precies mogelijke tekenopdracht. Dat wordt allemaal opnieuw talig verwerkt in het bijschrijfgesprek en de bijbehorende geschreven tekst.

In midden- en bovenbouw probeer ik kinderen eerst iets te laten doen of lezen, en daarover met een huisgenoot te praten. Dan eveneens een precieze opdracht voor hoe de tekst opgebouwd moet zijn, eventueel samen met een precieze tekenopdracht.

Mijn hoop is dat leerkrachten deze opbouw herkennen, dat huisgenoten van de kinderen er mee uit de voeten kunnen, en dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor goede feedback op de teksten die kinderen hopelijk terugsturen. Ik houd me aanbevolen voor goede voorbeelden!

De onderwerpen van deze week zijn:

Groep 1-3: drie dingen die je buiten gedaan hebt (vertelling)

Groep 4-6: iets dat je in de keuken gemaakt hebt (vertelling en instructie)

Groep 6-8: een boek dat je thuis gelezen hebt of een film die je gezien hebt (respons)

NB sommige onderwerpen kunnen ook voor een andere leeftijdsgroep interessant zijn.

Hieronder een globaal beeld van de opdrachten, de uitwerking vind je weer via de link naar de categorie schrijfopdrachten van deze website.

Teken-/schrijfopdracht voor groep 1-3

Onderwerp: drie dingen waar je op geklommen bent (vertelling)

Vertelopdracht: praten met je moeder/vader/oma/opa over waar jij weleens op geklommen bent, de laatste dagen of een heel andere keer, bijvoorbeeld:

  • op een hek klimmen
  • op iets in de speeltuin klimmen
  • op het aanrecht in de keuken klimmen
  • in een boom klimmen
  • in een touw klimmen
  • klimmen op iets dat daarvoor niet bedoeld is
  • op een ladder of trapje klimmen
  • op je stapelbed klimmen
  • op je moeder of broer klimmen
  • etcetera

Vertel steeds ook hoe je het precies doet.

Tekenopdracht: teken in de vakjes drie dingen waar je op geklommen bent

Bijschrijven: je moeder of vader of iemand anders schrijft naast elke tekening wat jij erbij vertelt (NB mag ook in een andere taal dan Nederlands, als dat makkelijker is). Vertel bij elke tekening precies hoe je het doet.

Deze taaltekeningen stuur je als foto of scan naar je juf of meester.

Schrijfopdracht voor groep 4-6

 Onderwerp: iets dat je in de keuken gemaakt hebt (vertelling en instructie)

Doe-opdracht: maak iets om te eten of drinken in de keuken, liefst met hulp van een huisgenoot. Het mag niet iets kant-en-klaars zijn! Suggesties: een tosti, een slaatje, een taart, koekjes, een toetje, soep, roti met kip of iets nog ingewikkelders.

Praatopdracht: bespreek met iemand na wat er gebeurde terwijl je bezig was, bijvoorbeeld aan de hand van vragen:

  • wat had je nodig en welke stappen heb je gezet?
  • waar moest je goed op letten?
  • wat ging niet zo goed of mis?
  • wie kwam kijken of meehelpen?
  • wat gebeurde er ook nog terwijl je bezig was?
  • wie bemoeide zich ermee of deed irritant?
  • wat werkte echt goed?
  • wat is goed gelukt en hoezo?

 Schrijfopdracht 1 (vertelling): beschrijf zo precies mogelijk iets dat gebeurde terwijl je dit aan het maken was, doe dat in de verleden tijd, en begin bijvoorbeeld met deze woorden: Ik ging in de keuken …….

 Schrijfopdracht 2 (instructie): beschrijf nu wat je precies gedaan hebt, maar nu in de vorm van een instructie, oftewel een recept, zodat iemand die het leest begrijpt wat hij moet doen en in welke volgorde. Schrijf je recept in vier stukjes:

  • Ingrediënten
  • Benodigdheden
  • Bereiding
  • Tips

Kijk hier voor een voorbeeld van een recept met deze indeling.

Stuur je twee teksten naar je juf of meester.

 

Schrijfopdracht voor Groep 6-8:

Onderwerp: een boek dat je thuis gelezen hebt of een film die je gezien hebt (respons)

 Lijstje maken: Maak een lijstje van boeken of films, die je kort geleden gelezen of bekeken hebt. Kies daaruit 1 boek of 1 film.

Vertelopdracht 1 (Feiten): Vertel aan een huisgenoot of vriend(in) eerst zoveel mogelijk feitenover het boek of de film, bijvoorbeeld:

  • Wie is de schrijver of regisseur
  • Uit welk jaar is het boek of de film?
  • Hoe kwam je eraan en waar is het te vinden?
  • Wat heb je erover gehoord?
  • Wanneer heb je het gelezen of gekeken, hoe vaak?
  • Wat is het voor soort boek of film?
  • Wie maakte de illustraties?
  • Wie zijn de hoofdrolspelers?

Vertelopdracht 2 (Samenvatting verhaal): vertel aan je huisgenoot het verhaal in het kort: hoe begint het, wat zijn belangrijke gebeurtenissen in het verhaal, hoe loopt het af?

Vertelopdracht 3 (Jouw eigen indrukken): vertel je huisgenoot zoveel mogelijk over jouw indruk van boek of film, bijvoorbeeld aan de hand van vragen:

  • Welk stuk is je bijgebleven?
  • Welk stuk zie je nog steeds voor je?
  • Waar kreeg je een vervelend gevoel bij?
  • Wat vond je echt prachtig of superspannend?
  • Wat snapte je niet?
  • Wat maakte het boek / de film goed of juist niet goed?
  • Wat denk je achteraf over de hoofdpersonen?
  • Hoe zou je dit boek / deze film aan een ander presenteren?

NB de luisteraar stelt vragen

Leesopdracht: Lees een voorbeeldtekst: een recensie van De grote verboden zoldervan Edward van de Vendel, of van de serie The letter for the king

Kijk of je in deze recensies drie stukjes kunt vinden: 1 Feiten over het boek, 2 Het verhaal, 3 Een mening

De grote verboden zolder

The letter for the king

Schrijfopdracht:

Schrijf een recensie over het boek / de film. Verdeel je tekst in drie stukjes:

  1. Feiten over het boek, 2. Het verhaal, 3. Eigen mening of gevoel

Gebruik de bijgevoegde instructie voor de structuur van je tekst. Voeg minstens 1 illustratie toe. Deze tekst stuur je naar je juf of meester voor feedback.

 

Via deze link vind je documenten met de opdrachten die je ook naar je leerlingen kunt sturen. Verander wat je wilt, op basis van jouw kennis van de kinderen. Veel succes!

Coronaschrijven week 2

Ik kreeg blije reacties van leerkrachten op de schrijfopdrachten die ik vorige week heb aangeboden voor drie bouwen. Hier en daar zijn ook vaders, moeders en oma’s met kinderen aan het vertellen, tekenen en schrijven geslagen. Dat vraagt om meer materiaal!

De opdrachten van deze week zijn opnieuw gericht op taaldoelen voor groep 1-3, groep 4-6 en groep 6-8. Voor de duidelijkheid benoem ik die hier nog eens:

  • Bij groep 1-3 gaat het om vertelvaardigheid: steeds preciezer vertellen over een ervaring, en daarbij gebruikmaken van gesprekjes met een taalvaardig persoon in je omgeving. Tekenen werkt hier als een ondersteuning voor deze gesprekken en een voorloper van schrijven: het op papier vastleggen van een verteld verhaal. Schrijven hoort er ook nog bij: na vertellen en tekenen voert de leerkracht/huisgenoot een zogeheten ‘bijschrijfgesprek’ met het kind en komt in overleg tot een bijgeschreven tekst die goed weergeeft wat het kind bedoelt. Derdegroepers kunnen zelf vaak al heel wat bijschrijven. Vul dat aan met wat het kind er nog bij vertelt.
  • In groep 4-6 gaat het om precies en doelgericht vertellen of mondeling beschrijven, dit zelf omzetten in een geschreven tekst, die zelf nalezen/voorlezen en eventueel wijzigen of aanvullen. Tekenen kan een belangrijke bijdrage aan zeggingskracht van de tekst leveren (en is dus niet bedoeld als ‘versiering’ of extraatje).
  • In groep 6-8 leren kinderen om vanuit een aangereikte structuur een tekst met een duidelijk doel te schrijven, nadat ze zich eerst goed georiënteerd hebben op het onderwerp van die tekst, bijvoorbeeld door middel van het lezen van bronteksten of het bekijken van een filmpje. Gesprekken met huisgenoten of vrienden zijn een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op het schrijven.

Ik ben benieuwd of het mogelijk is dat leerkrachten kinderen op afstand bij deze opdrachten begeleiden, en ze daarbij samen kunnen werken met huisgenoten van de kinderen. Een mooie manier om de ouderbetrokkenheid te versterken. Speciaal interessant zijn de vragen:

  • Lukt het om kinderen, via ouders of zelfstandig, hun producten te laten terugsturen voor feedback?
  • Lukt het om goed te bedenken wat zinvolle feedback is bij elke opdracht (niet alleen op spelling en interpunctie, maar vooral op basis van de criteria in de opdracht)?
  • Kunnen leerkrachten misschien online verzamelingen van tekeningen en teksten maken die voor alle kinderen van een groep te bekijken zijn?

Houd mij hiervan op de hoogte!

Ik heb opnieuw gezocht naar onderwerpen die verband houden met de ervaringen van kinderen in deze vreemde verplichte vakantietijd, waarin ze ineens op de lip van hun ouders zitten, soms niet naar buiten mogen, en hun vriendjes missen.

Onderwerpen deze week:

  • Groep 1-3: kunstjes en spelletjes op de bank
  • Groep 4-6: vogels in de buurt van je huis
  • Groep 6-8: voor- en nadelen van thuis zijn zonder vakantie

NB sommige onderwerpen kunnen ook voor de andere leeftijdsgroep interessant zijn.

Hieronder een globaal beeld van de opdrachten, de uitwerking en werkbladen vind je weer via de link naar de categorie schrijfopdrachten van deze website.

Bron afbeelding: De Volkskrant, zaterdag 21 maart 2020

Teken-/schrijfopdracht voor groep 1-3

Onderwerp: dingen doen op de bank

Vertelopdracht: praten met je moeder/vader/oma/opa welke dingen jij de laatste dagen weleens op de bank hebt gedaan, bv:

  • een kunstje met springen
  • een kunstje met een iemand anders samen
  • iets met kussens spelen of bouwen
  • een spelletje op de bank doen
  • eten op de bank
  • bij iemand op schoot zitten op de bank
  • slapen, lezen of ziekzijn op de bank
  • met een huisdier op de bank
  • etcetera

Tekenopdracht: Kies een van de vertelde dingen uit en teken zo precies mogelijk wat je deed, zorg dat de bank en alles erop en eromheen er goed op staat.

Bijschrijven: je moeder of vader of iemand anders schrijft duidelijk onder de tekening wat jij erbij vertelt (NB mag ook in een andere taal dan Nederlands, als dat makkelijker is)

Deze taaltekening stuur je als foto of scan naar je juf of meester.

Bron afbeelding: https://www.jasperderuiter.com/product/herkenningskaart-stadsvogels-art-nr-910051/

Schrijfopdracht voor groep 4-6

Onderwerp: vogels in de buurt van je huis

Kijkopdracht: zoek gedurende enkele dagen samen met iemand rondom je huis naar zoveel mogelijk vogels, vanaf je balkon, uit verschillende ramen, als je buiten of in de tuin aan het spelen bent, bij water of in bomen. Kijk goed hoe die vogels eruitzien en wat ze doen. Teken zoveel mogelijk vogels na op een tekenblaadje. Foto’s maken mag ook.

Tekenopdracht: teken één van die vogels heel precies nog een keer, in het vakje op het blad, gebruik kleur.

Schrijfopdracht 1: schrijf onder het vakje op de lijntjes twee stukjes over

  1. hoe de vogel eruitziet
  2. wat hij deed, hoe hij zich bewoog, wat je zag gebeuren?

Zoekopdracht met iemand samen: kijk samen of je de vogel kunt terugvinden op deze webpagina. Klik op de vogel en klik daarna op ‘Herkenning’ en ‘Leefwijze’. Lees hier wat in, kijk rond bij wat je interessant vindt, luister naar het geluid, ook het filmpje bekijken!

Schrijfopdracht 2: schrijf de naam van de vogel boven de tekening, en onderaan je tekst nog wat feiten (weetjes) die je van de website hebt gehaald en die je interessant vindt.

Stuur de tekst naar je juf of meester.

Bron afbeelding: De Volkskrant, zaterdag 21 maart 2020

Schrijfopdracht voor groep 6-8

Onderwerp: voor- en nadelen van thuis zijn zonder vakantie

Voorbereiding: verdeel een vel papier in twee kolommen door middel van een streep. Schrijf boven de eerste kolom: voordelen, en boven de tweede kolom: nadelen.

Praatopdracht: praat met zoveel mogelijk huisgenoten over de voor- en nadelen van in huis zijn terwijl het geen vakantie is. Stel goede vragen, bijvoorbeeld:

  • Wat vond je leuk om te doen de afgelopen weken?
  • Welke dingen vond je irritant?
  • Wat mis je heel erg van school?
  • Heb je iets gedaan dat je nog niet eerder, of al heel lang niet, gedaan hebt?
  • Waarmee heb je je vader of moeder in huis geholpen en hoe vond je dat?
  • Hoe gaat dat werken voor school als je thuis bent?
  • etcetera

Na elk gesprekje schrijf je samen met die persoon enkele voor- en nadelen van thuiszitten in de twee kolommen. De lijsten worden zo steeds langer. Vul de lijsten aan met voor- en nadelen die je zelf bedenkt.

Schrijfopdracht: schrijf (eventueel met iemand samen) een beschouwing over de kwestie: hoe is het eigenlijk om ineens een paar weken niet naar school te kunnen?

Gebruik de bijgevoegde instructie over de structuur van je tekst.

Voeg 2 kleine illustraties toe: een over een voordeel, een over een nadeel. Deze teken je in de vakjes bovenaan het schrijfblad. Daaronder komt de tekst.

Deze tekst stuur je naar je juf of meester voor feedback.

Coronaschrijven week 1

Vanaf 16 maart 2020 zullen veel Nederlandse basisschoolkinderen en hun leerkrachten thuis zitten vanwege het Coronavirus. Er wordt waarschijnlijk al nagedacht over manieren om kinderen op afstand toch te stimuleren om iets aan hun schoolwerk te doen. Dat kan ook zijn: ze online schrijfopdrachten geven en hun teksten laten terugsturen voor feedback! Ik bied mijn lezers hier ideeën aan en ben benieuwd of het werkt.

Natuurlijk is het de vraag of alle kinderen toegang hebben tot een online device en of ze per mail te bereiken zijn. Meestal zijn hun ouders wel te bereiken, via de smartphone, of is er een tablet in huis van een van de familieleden. Ouders of oudere broers en zussen zouden ingeschakeld kunnen worden om met de jongsten een opdracht samen te lezen en uit te voeren. Bovenbouwkinderen kunnen zelfstandig werken en eventueel hulp vragen aan familieleden.

Ik stel me voor dat kleuters samen met een familielid praten over een onderwerp, er vervolgens over tekenen, en dat het familielid na een gesprekje de tekst van het kind bij de tekening schrijft. Kinderen van groep 3-5 kunnen naast het vertellen en tekenen zelf (een deel van) de tekst schrijven. Oudere kinderen schrijven op basis van iets dat ze hebben gelezen en aan de hand van een gegeven structuurschema. Ze typen de tekst en mailen hem, of schrijven hem op papier en sturen er een foto van naar hun leerkracht. Die stuurt per omgaande feedback terug. De feedback kan door oudere kinderen verwerkt worden en versie 2 opnieuw gestuurd.

Hieronder geef ik een beeld van drie opdrachten, een voor elke bouw. De onderwerpen houden verband met de Coronacrisis. De opdrachten zelf vind je als Word-document via een linkje, zodat je eventueel nog eigen onderdelen kunt toevoegen.

Teken/schrijfopdracht voor groep 1-3

Onderwerp: handen wassen

Vertelopdracht: praten met je moeder of vader over allerlei ervaringen met handen wassen, bv:

  • vieze handen
  • baby’s in je buurt met vieze handjes
  • waar en hoe je je handen wel eens hebt gewassen
  • ergens op klimmen om je handen te wassen
  • allerlei soorten zeep
  • knoeien met water bij de wasbak
  • etcetera

Tekenopdracht: teken over iets dat jij (of iemand anders) deed bij handen wassen

Bijschrijven: je moeder of vader of iemand anders schrijft duidelijk onder de tekening wat jij erbij vertelt (NB mag ook in een andere taal dan Nederlands, als dat makkelijker is)

Deze taaltekening stuur je als foto of scan naar je juf of meester.

Schrijfopdracht voor groep 4-6

Onderwerp: hygiëne

Vertelopdracht: vertellen/praten over allerlei ervaringen met hygiëne, bv:

  • wanneer en hoe heb je je handen gewassen?
  • wat moet er bij jou thuis altijd heel schoon zijn en hoe wordt het schoongemaakt?
  • hoe was je jezelf als je onder de douche staat?
  • schoonmaken in huis, wie doet wat en hoe?
  • afwassen en kleren wassen, hoe gaat dat bij jullie?

Schrijfopdracht: schrijf een stapsgewijze instructie voor het schoonmaken van iets bij jou thuis, met een illustratie bij elke stap (mag ook in een andere taal dan Nederlands, als dat makkelijker is). Deze instructietekst stuur je naar je juf of meester.

Schrijfopdracht voor groep 6-8

Onderwerp: virussen

Praatopdracht 1: vraag aan een huisgenoot wat een virus is en bespreek samen wat je ervan weet. Bespreek ook wat een computervirus is en welke ervaringen je ermee hebt.

Leesopdracht: lees de bijgevoegde tekst en bekijk het bijgevoegde filmpje. Zoek er zelf een derde tekst bij en lees die ook.

Praatopdracht 2: bespreek met een huisgenoot of vriend(in) wat je uit teksten/filmpje geleerd hebt dat je nog niet wist, en bespreek wat je nog zou willen weten. Bespreek ook de verschillen en overeenkomsten tussen een ‘echt’ virus en een computervirus.

Schrijfopdracht: schrijf (eventueel samen) een informatieve tekst over wat een virus precies is, en wat verschillen en overeenkomsten zijn tussen een lichaams-virus en een computervirus.

Gebruik de bijgevoegde instructie voor de structuur van je tekst.

Voeg minstens 1 illustratie toe.

Deze tekst stuur je naar je juf of meester voor feedback.

Opdrachten versturen naar leerlingen of hun ouders

Via dit  linkje vind je de documenten met de instructie die je ook naar je leerlingen kunt sturen. Verander wat je wilt, op basis van jouw kennis van de kinderen. Ik ben benieuwd of dit leuk is en of schrijfonderwijs ook op afstand gegeven kan worden. Dus mail mij met je bevindingen! Volgende week een nieuwe serie opdrachten.

 

Ontlezing of multimodale geletterdheid?

In mijn vorige blog legde ik een verband tussen de opmars van digitale media en de teruglopende leesvaardigheid van 15-jarigen gedurende het afgelopen decennium. Kinderen (tieners, volwassenen) lezen niet meer omdat ze iets anders te doen hebben, namelijk op hun schermpjes swipen, scrollen en klikken. Het beeld van de jaren tien als het decennium van de smartphone klopt. Maar klopt het ook dat dit allemaal heel erg is, en dat we iets wezenlijks aan het verliezen zijn, namelijk lezen? Als je alle commentaren leest lijkt het wel zo. Ontlezing, zoals de ontwikkeling genoemd wordt, wordt algemeen gezien als verontrustend en we moeten er een offensief tegen beginnen.

Ik stel me voor dat ik een 20-jarige pabostudent ben en dat dat offensief op mij wordt losgelaten, met de bedoeling dat ik de ontlezing tot staan ga brengen bij mijn toekomstige leerlingen. Ik zou er best zenuwachtig van worden. Lees ik zelf wel genoeg, en wat moet ik doen om kinderen weg van hun schermen te krijgen en aan de boeken? Terwijl ik zelf de hele tijd mijn schermpje bij de hand heb en alles digitaal opzoek, lees, communiceer en vastleg? En wat moet ik beginnen met al dat gepromoot van de 21steeeuwse vaardigheden en digitale geletterdheid op de opleiding, waarin je lezen weer nergens expliciet terugvindt?

Verlies en winst

Het beeld van verlies en verval (zie bv deze column in Trouw waarin zomaar beweerd wordt dat lezen slimmer maakt en kijken dommer) brengt het beeld van terugvinden en herstel met zich mee. Het mooie, diepe lezen van vroeger weer terugvinden, de leesvaardigheid van de vorige eeuw herstellen. Dat lijkt mij een onbereikbaar en onwenselijk doel.

De kinderen van nu moeten leren zich te redden in een wereld waarin gedrukte en digitale teksten naast elkaar bestaan, waarin tekst, beeld en geluid elkaar aanvullen, waarin via hyperlinks veel sneller geschakeld kan worden tussen verschillende teksten. De geletterdheid van deze tijd wordt geleidelijk ‘multimodaal’ (Walsh, 2010), oftewel: bestaat niet meer uitsluitend uit het kunnen omgaan met geschreven teksten. Aan de ontwikkeling van die multimodale geletterdheid zouden we moeten werken in het onderwijs.

Multimodale geletterdheid

Wat is dat nou weer, multimodale geletterdheid? hoor ik jullie denken. Het onderstaande diagram (Walsh 2010, p. 222) geeft er een beeld van. De taalvaardigheden praten en luisteren, lezen en (begrijpend) kijken, en schrijven, kunnen gekoppeld worden aan verschillende tekstvormen: digitale teksten, gedrukte teksten, multimedia-teksten met gebruik van film en geluid, gesproken teksten. De samenhang tussen al die ‘modaliteiten’ ontstaat door een inhoudelijk onderwerp. Bijvoorbeeld: plantengroei, of: Mesopotamië, of: het heelal. Of een actuele kwestie, zoals vuurwerkverbod of bio-industrie.

Bron afbeelding: Walsh, M. (2010). Multimodal literacy: What does it mean for classroom practice? In: Australian Journal of Language and Literacy, Vol 33 nr 3, pp 211-239, January 2010

Digitale middelen kunnen ingezet worden om te werken aan taalvaardigheden en geletterdheid. We hoeven niet ‘terug’ naar het oude lezen, maar we kunnen onderzoeken hoe praten en luisteren, lezen en schrijven elkaar afwisselen en ondersteunen, en daarbij gebruik maken van de digitale ervaring van hedendaagse leerkrachten en leerlingen.

Kijken, lezen, praten en schrijven in samenhang

In plaats van stoppen met kijken: kijken toevoegen aan lezen, en ontdekken hoe die twee modaliteiten elkaar versterken. In de klaslokalen van nu en van de toekomst zullen de schermen niet verdwijnen, maar we kunnen wel proberen ze via de inhoud te koppelen aan gedrukte media zoals boeken, en op die manier het lezen stimuleren en verdiepen.

Bijvoorbeeld zo:

  1. Bekijk een filmpje van ontkieming van een zaadje
  2. Bekijk het nog eens samen met iemand en probeer steeds even te stoppen en te benoemen wat je ziet
  3. Schrijf samen een verslag over wat je zag in de verschillende fasen in het groeiproces
  4. Lees daarna samen een aangereikte tekst op papier over ontkieming en benoem samen wat je herkent van wat je observeerde in het filmpje
  5. Zoek zelf nog een tekst of website over plantengroei en bespreek eerst de betekenis van de afbeeldingen en graphics: wat zie je? wat leert het plaatje je?
  6. Bespreek welke informatie uit de tekst nog iets nieuws toevoegt aan je begrip van hoe een plant groeit
  7. Maak een infographic over plantengroei met gebruik van vakwoorden die je in de teksten hebt gevonden

Dit alles uiteraard met passende, stapsgewijze hulp. En natuurlijk kan het kijken naar een filmpje ook vervangen worden door het observeren van een echte ontkieming in de klas.

Kijken naar filmpjes, afbeeldingen of werkelijke objecten kan zo een hulpmiddel (scaffold) zijn bij begrijpend lezen. Zie bijvoorbeeld deze blogpost van Erna van Koeven en Anneke Smits, waarin de wederzijdse versterking van digitale middelen en begrijpend lezen wordt verduidelijkt. Kijken maakt dom? Kijken helpt bij lezen!

Uitproberen in de stageklas

Mijn studenten proberen dit schooljaar allemaal te werken met begrijpend lezen, begrijpend kijken, gesprekken en schrijven over één zaakvakonderwerp. Ze selecteren over dit onderwerp twee gedrukte teksten, een digitale tekst en een filmpje om gedurende een niet te lange tijd (ongeveer drie lessen) mee te werken. Daarbij is hun enige doel: kinderen te motiveren tot lezen, denken, praten en schrijven over het onderwerp. En te observeren of dit lukt.

In de grote groep en in kleinere groepjes praten kinderen over de inhoud van de teksten en het filmpje, ze zoeken gericht naar informatie in die bronnen, brengen teksten en beelden met elkaar in verband, ze krijgen stapsgewijze ondersteuning bij het schrijven van een tekst en het maken van een schema of tekening. Verschillende taalvaardigheden, verschillende communicatievormen en verschillende tekstvormen komen op een betekenisvolle manier samen. Je kunt ook zeggen: de kinderen ontwikkelen hun multimodale geletterdheid. Daarbij leerden ze dit eerste semester over uiteenlopende onderwerpen als D-day, Griekse goden, leven in de ruimte, het zorgen voor huisdieren, soorten bomen.

 

Mijn studenten zijn grotendeels enthousiast, zoals blijkt uit een van de reflecties achteraf:

Wat mij bij blijft na de uitvoering van de lees- en schrijfactiviteiten is dat leerlingen het heel fijn vinden als bij het lezen van teksten de leerlingen de ruimte geeft om na te denken over de tekst en hierover te praten. Tussendoor even over de tekst denken en praten behoudt de intrinsieke motivatie van de leerlingen en dat merkte ik tijdens mijn les. De leerlingen waren aan het lezen en wisten waar de tekst over ging en konden benoemen wat ze nog niet wisten en wat zij al wel wisten.

Ik merkte door mijn lessen dat met begrijpend leesonderwijs tijdens de reguliere lessen op school niet veel gedaan wordt na het lezen van de tekst. Tijdens mijn les merkte ik dat de leerlingen het heel leuk vonden om wat met de tekst te doen in plaats van vragen te beantwoorden daarna en verder niks. Door het praten over de tekst en na te denken over de tekst werden de leerlingen intrinsiek gemotiveerd. Er zou meer gepraat en nagedacht moeten worden over de teksten die de leerlingen lezen.

Schrijfonderwijs is heel belangrijk na het lezen van een tekst. De input die de leerlingen krijgen, na de tekst daadwerkelijk ook gebruiken. Dat is wat het betekenisvol maakt voor de leerlingen en waardoor het onderwerp en de informatie blijft hangen na het lezen van de tekst. Leerlingen mogen dan hun eigen visie op de teksten creëren en maken het eigen. Dat is mooi om te zien en erg belangrijk.

Zal een dergelijke aanpak iets veranderen aan de ontlezing (en aan eventuele ontschrijving)? Dat hoop ik en verwacht ik.  Vooral hoop ik dat leerkrachten zelf ook weer zin krijgen in lezen en schrijven, dat ze daarbij digitale technologie zullen inzetten, en dat boeken een vaste, onmisbare plek naast de schermen zullen innemen. We leven in een overgangstijd waarin we ervaring moeten opdoen met de relatie tussen oude en nieuwe media, zoals Maryanne Wolf zegt in dit interview  over diep lezen in een digitale wereld:

Understanding precisely what constitutes the advantages and disadvantages of each medium for different types of text and the best medium for the different purposes of reading by different types of individuals will be the complex, essential work of the future science of reading.

De samenhang tussen modaliteiten (praten, luisteren, kijken, lezen, schrijven, tekenen, filmen en fotograferen) kan centraal komen te staan in hedendaags taalonderwijs, hopelijk met een positief effect op de leesvaardigheid en de kennisverwerving van alle soorten leerlingen.

.