Coronaschrijven week 2

Ik kreeg blije reacties van leerkrachten op de schrijfopdrachten die ik vorige week heb aangeboden voor drie bouwen. Hier en daar zijn ook vaders, moeders en oma’s met kinderen aan het vertellen, tekenen en schrijven geslagen. Dat vraagt om meer materiaal!

De opdrachten van deze week zijn opnieuw gericht op taaldoelen voor groep 1-3, groep 4-6 en groep 6-8. Voor de duidelijkheid benoem ik die hier nog eens:

  • Bij groep 1-3 gaat het om vertelvaardigheid: steeds preciezer vertellen over een ervaring, en daarbij gebruikmaken van gesprekjes met een taalvaardig persoon in je omgeving. Tekenen werkt hier als een ondersteuning voor deze gesprekken en een voorloper van schrijven: het op papier vastleggen van een verteld verhaal. Schrijven hoort er ook nog bij: na vertellen en tekenen voert de leerkracht/huisgenoot een zogeheten ‘bijschrijfgesprek’ met het kind en komt in overleg tot een bijgeschreven tekst die goed weergeeft wat het kind bedoelt. Derdegroepers kunnen zelf vaak al heel wat bijschrijven. Vul dat aan met wat het kind er nog bij vertelt.
  • In groep 4-6 gaat het om precies en doelgericht vertellen of mondeling beschrijven, dit zelf omzetten in een geschreven tekst, die zelf nalezen/voorlezen en eventueel wijzigen of aanvullen. Tekenen kan een belangrijke bijdrage aan zeggingskracht van de tekst leveren (en is dus niet bedoeld als ‘versiering’ of extraatje).
  • In groep 6-8 leren kinderen om vanuit een aangereikte structuur een tekst met een duidelijk doel te schrijven, nadat ze zich eerst goed georiënteerd hebben op het onderwerp van die tekst, bijvoorbeeld door middel van het lezen van bronteksten of het bekijken van een filmpje. Gesprekken met huisgenoten of vrienden zijn een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op het schrijven.

Ik ben benieuwd of het mogelijk is dat leerkrachten kinderen op afstand bij deze opdrachten begeleiden, en ze daarbij samen kunnen werken met huisgenoten van de kinderen. Een mooie manier om de ouderbetrokkenheid te versterken. Speciaal interessant zijn de vragen:

  • Lukt het om kinderen, via ouders of zelfstandig, hun producten te laten terugsturen voor feedback?
  • Lukt het om goed te bedenken wat zinvolle feedback is bij elke opdracht (niet alleen op spelling en interpunctie, maar vooral op basis van de criteria in de opdracht)?
  • Kunnen leerkrachten misschien online verzamelingen van tekeningen en teksten maken die voor alle kinderen van een groep te bekijken zijn?

Houd mij hiervan op de hoogte!

Ik heb opnieuw gezocht naar onderwerpen die verband houden met de ervaringen van kinderen in deze vreemde verplichte vakantietijd, waarin ze ineens op de lip van hun ouders zitten, soms niet naar buiten mogen, en hun vriendjes missen.

Onderwerpen deze week:

  • Groep 1-3: kunstjes en spelletjes op de bank
  • Groep 4-6: vogels in de buurt van je huis
  • Groep 6-8: voor- en nadelen van thuis zijn zonder vakantie

NB sommige onderwerpen kunnen ook voor de andere leeftijdsgroep interessant zijn.

Hieronder een globaal beeld van de opdrachten, de uitwerking en werkbladen vind je weer via de link naar de categorie schrijfopdrachten van deze website.

Bron afbeelding: De Volkskrant, zaterdag 21 maart 2020

Teken-/schrijfopdracht voor groep 1-3

Onderwerp: dingen doen op de bank

Vertelopdracht: praten met je moeder/vader/oma/opa welke dingen jij de laatste dagen weleens op de bank hebt gedaan, bv:

  • een kunstje met springen
  • een kunstje met een iemand anders samen
  • iets met kussens spelen of bouwen
  • een spelletje op de bank doen
  • eten op de bank
  • bij iemand op schoot zitten op de bank
  • slapen, lezen of ziekzijn op de bank
  • met een huisdier op de bank
  • etcetera

Tekenopdracht: Kies een van de vertelde dingen uit en teken zo precies mogelijk wat je deed, zorg dat de bank en alles erop en eromheen er goed op staat.

Bijschrijven: je moeder of vader of iemand anders schrijft duidelijk onder de tekening wat jij erbij vertelt (NB mag ook in een andere taal dan Nederlands, als dat makkelijker is)

Deze taaltekening stuur je als foto of scan naar je juf of meester.

Bron afbeelding: https://www.jasperderuiter.com/product/herkenningskaart-stadsvogels-art-nr-910051/

Schrijfopdracht voor groep 4-6

Onderwerp: vogels in de buurt van je huis

Kijkopdracht: zoek gedurende enkele dagen samen met iemand rondom je huis naar zoveel mogelijk vogels, vanaf je balkon, uit verschillende ramen, als je buiten of in de tuin aan het spelen bent, bij water of in bomen. Kijk goed hoe die vogels eruitzien en wat ze doen. Teken zoveel mogelijk vogels na op een tekenblaadje. Foto’s maken mag ook.

Tekenopdracht: teken één van die vogels heel precies nog een keer, in het vakje op het blad, gebruik kleur.

Schrijfopdracht 1: schrijf onder het vakje op de lijntjes twee stukjes over

  1. hoe de vogel eruitziet
  2. wat hij deed, hoe hij zich bewoog, wat je zag gebeuren?

Zoekopdracht met iemand samen: kijk samen of je de vogel kunt terugvinden op deze webpagina. Klik op de vogel en klik daarna op ‘Herkenning’ en ‘Leefwijze’. Lees hier wat in, kijk rond bij wat je interessant vindt, luister naar het geluid, ook het filmpje bekijken!

Schrijfopdracht 2: schrijf de naam van de vogel boven de tekening, en onderaan je tekst nog wat feiten (weetjes) die je van de website hebt gehaald en die je interessant vindt.

Stuur de tekst naar je juf of meester.

Bron afbeelding: De Volkskrant, zaterdag 21 maart 2020

Schrijfopdracht voor groep 6-8

Onderwerp: voor- en nadelen van thuis zijn zonder vakantie

Voorbereiding: verdeel een vel papier in twee kolommen door middel van een streep. Schrijf boven de eerste kolom: voordelen, en boven de tweede kolom: nadelen.

Praatopdracht: praat met zoveel mogelijk huisgenoten over de voor- en nadelen van in huis zijn terwijl het geen vakantie is. Stel goede vragen, bijvoorbeeld:

  • Wat vond je leuk om te doen de afgelopen weken?
  • Welke dingen vond je irritant?
  • Wat mis je heel erg van school?
  • Heb je iets gedaan dat je nog niet eerder, of al heel lang niet, gedaan hebt?
  • Waarmee heb je je vader of moeder in huis geholpen en hoe vond je dat?
  • Hoe gaat dat werken voor school als je thuis bent?
  • etcetera

Na elk gesprekje schrijf je samen met die persoon enkele voor- en nadelen van thuiszitten in de twee kolommen. De lijsten worden zo steeds langer. Vul de lijsten aan met voor- en nadelen die je zelf bedenkt.

Schrijfopdracht: schrijf (eventueel met iemand samen) een beschouwing over de kwestie: hoe is het eigenlijk om ineens een paar weken niet naar school te kunnen?

Gebruik de bijgevoegde instructie over de structuur van je tekst.

Voeg 2 kleine illustraties toe: een over een voordeel, een over een nadeel. Deze teken je in de vakjes bovenaan het schrijfblad. Daaronder komt de tekst.

Deze tekst stuur je naar je juf of meester voor feedback.

Coronaschrijven week 1

Vanaf 16 maart 2020 zullen veel Nederlandse basisschoolkinderen en hun leerkrachten thuis zitten vanwege het Coronavirus. Er wordt waarschijnlijk al nagedacht over manieren om kinderen op afstand toch te stimuleren om iets aan hun schoolwerk te doen. Dat kan ook zijn: ze online schrijfopdrachten geven en hun teksten laten terugsturen voor feedback! Ik bied mijn lezers hier ideeën aan en ben benieuwd of het werkt.

Natuurlijk is het de vraag of alle kinderen toegang hebben tot een online device en of ze per mail te bereiken zijn. Meestal zijn hun ouders wel te bereiken, via de smartphone, of is er een tablet in huis van een van de familieleden. Ouders of oudere broers en zussen zouden ingeschakeld kunnen worden om met de jongsten een opdracht samen te lezen en uit te voeren. Bovenbouwkinderen kunnen zelfstandig werken en eventueel hulp vragen aan familieleden.

Ik stel me voor dat kleuters samen met een familielid praten over een onderwerp, er vervolgens over tekenen, en dat het familielid na een gesprekje de tekst van het kind bij de tekening schrijft. Kinderen van groep 3-5 kunnen naast het vertellen en tekenen zelf (een deel van) de tekst schrijven. Oudere kinderen schrijven op basis van iets dat ze hebben gelezen en aan de hand van een gegeven structuurschema. Ze typen de tekst en mailen hem, of schrijven hem op papier en sturen er een foto van naar hun leerkracht. Die stuurt per omgaande feedback terug. De feedback kan door oudere kinderen verwerkt worden en versie 2 opnieuw gestuurd.

Hieronder geef ik een beeld van drie opdrachten, een voor elke bouw. De onderwerpen houden verband met de Coronacrisis. De opdrachten zelf vind je als Word-document via een linkje, zodat je eventueel nog eigen onderdelen kunt toevoegen.

Teken/schrijfopdracht voor groep 1-3

Onderwerp: handen wassen

Vertelopdracht: praten met je moeder of vader over allerlei ervaringen met handen wassen, bv:

  • vieze handen
  • baby’s in je buurt met vieze handjes
  • waar en hoe je je handen wel eens hebt gewassen
  • ergens op klimmen om je handen te wassen
  • allerlei soorten zeep
  • knoeien met water bij de wasbak
  • etcetera

Tekenopdracht: teken over iets dat jij (of iemand anders) deed bij handen wassen

Bijschrijven: je moeder of vader of iemand anders schrijft duidelijk onder de tekening wat jij erbij vertelt (NB mag ook in een andere taal dan Nederlands, als dat makkelijker is)

Deze taaltekening stuur je als foto of scan naar je juf of meester.

Schrijfopdracht voor groep 4-6

Onderwerp: hygiëne

Vertelopdracht: vertellen/praten over allerlei ervaringen met hygiëne, bv:

  • wanneer en hoe heb je je handen gewassen?
  • wat moet er bij jou thuis altijd heel schoon zijn en hoe wordt het schoongemaakt?
  • hoe was je jezelf als je onder de douche staat?
  • schoonmaken in huis, wie doet wat en hoe?
  • afwassen en kleren wassen, hoe gaat dat bij jullie?

Schrijfopdracht: schrijf een stapsgewijze instructie voor het schoonmaken van iets bij jou thuis, met een illustratie bij elke stap (mag ook in een andere taal dan Nederlands, als dat makkelijker is). Deze instructietekst stuur je naar je juf of meester.

Schrijfopdracht voor groep 6-8

Onderwerp: virussen

Praatopdracht 1: vraag aan een huisgenoot wat een virus is en bespreek samen wat je ervan weet. Bespreek ook wat een computervirus is en welke ervaringen je ermee hebt.

Leesopdracht: lees de bijgevoegde tekst en bekijk het bijgevoegde filmpje. Zoek er zelf een derde tekst bij en lees die ook.

Praatopdracht 2: bespreek met een huisgenoot of vriend(in) wat je uit teksten/filmpje geleerd hebt dat je nog niet wist, en bespreek wat je nog zou willen weten. Bespreek ook de verschillen en overeenkomsten tussen een ‘echt’ virus en een computervirus.

Schrijfopdracht: schrijf (eventueel samen) een informatieve tekst over wat een virus precies is, en wat verschillen en overeenkomsten zijn tussen een lichaams-virus en een computervirus.

Gebruik de bijgevoegde instructie voor de structuur van je tekst.

Voeg minstens 1 illustratie toe.

Deze tekst stuur je naar je juf of meester voor feedback.

Opdrachten versturen naar leerlingen of hun ouders

Via dit  linkje vind je de documenten met de instructie die je ook naar je leerlingen kunt sturen. Verander wat je wilt, op basis van jouw kennis van de kinderen. Ik ben benieuwd of dit leuk is en of schrijfonderwijs ook op afstand gegeven kan worden. Dus mail mij met je bevindingen! Volgende week een nieuwe serie opdrachten.

 

Ontlezing of multimodale geletterdheid?

In mijn vorige blog legde ik een verband tussen de opmars van digitale media en de teruglopende leesvaardigheid van 15-jarigen gedurende het afgelopen decennium. Kinderen (tieners, volwassenen) lezen niet meer omdat ze iets anders te doen hebben, namelijk op hun schermpjes swipen, scrollen en klikken. Het beeld van de jaren tien als het decennium van de smartphone klopt. Maar klopt het ook dat dit allemaal heel erg is, en dat we iets wezenlijks aan het verliezen zijn, namelijk lezen? Als je alle commentaren leest lijkt het wel zo. Ontlezing, zoals de ontwikkeling genoemd wordt, wordt algemeen gezien als verontrustend en we moeten er een offensief tegen beginnen.

Ik stel me voor dat ik een 20-jarige pabostudent ben en dat dat offensief op mij wordt losgelaten, met de bedoeling dat ik de ontlezing tot staan ga brengen bij mijn toekomstige leerlingen. Ik zou er best zenuwachtig van worden. Lees ik zelf wel genoeg, en wat moet ik doen om kinderen weg van hun schermen te krijgen en aan de boeken? Terwijl ik zelf de hele tijd mijn schermpje bij de hand heb en alles digitaal opzoek, lees, communiceer en vastleg? En wat moet ik beginnen met al dat gepromoot van de 21steeeuwse vaardigheden en digitale geletterdheid op de opleiding, waarin je lezen weer nergens expliciet terugvindt?

Verlies en winst

Het beeld van verlies en verval (zie bv deze column in Trouw waarin zomaar beweerd wordt dat lezen slimmer maakt en kijken dommer) brengt het beeld van terugvinden en herstel met zich mee. Het mooie, diepe lezen van vroeger weer terugvinden, de leesvaardigheid van de vorige eeuw herstellen. Dat lijkt mij een onbereikbaar en onwenselijk doel.

De kinderen van nu moeten leren zich te redden in een wereld waarin gedrukte en digitale teksten naast elkaar bestaan, waarin tekst, beeld en geluid elkaar aanvullen, waarin via hyperlinks veel sneller geschakeld kan worden tussen verschillende teksten. De geletterdheid van deze tijd wordt geleidelijk ‘multimodaal’ (Walsh, 2010), oftewel: bestaat niet meer uitsluitend uit het kunnen omgaan met geschreven teksten. Aan de ontwikkeling van die multimodale geletterdheid zouden we moeten werken in het onderwijs.

Multimodale geletterdheid

Wat is dat nou weer, multimodale geletterdheid? hoor ik jullie denken. Het onderstaande diagram (Walsh 2010, p. 222) geeft er een beeld van. De taalvaardigheden praten en luisteren, lezen en (begrijpend) kijken, en schrijven, kunnen gekoppeld worden aan verschillende tekstvormen: digitale teksten, gedrukte teksten, multimedia-teksten met gebruik van film en geluid, gesproken teksten. De samenhang tussen al die ‘modaliteiten’ ontstaat door een inhoudelijk onderwerp. Bijvoorbeeld: plantengroei, of: Mesopotamië, of: het heelal. Of een actuele kwestie, zoals vuurwerkverbod of bio-industrie.

Bron afbeelding: Walsh, M. (2010). Multimodal literacy: What does it mean for classroom practice? In: Australian Journal of Language and Literacy, Vol 33 nr 3, pp 211-239, January 2010

Digitale middelen kunnen ingezet worden om te werken aan taalvaardigheden en geletterdheid. We hoeven niet ‘terug’ naar het oude lezen, maar we kunnen onderzoeken hoe praten en luisteren, lezen en schrijven elkaar afwisselen en ondersteunen, en daarbij gebruik maken van de digitale ervaring van hedendaagse leerkrachten en leerlingen.

Kijken, lezen, praten en schrijven in samenhang

In plaats van stoppen met kijken: kijken toevoegen aan lezen, en ontdekken hoe die twee modaliteiten elkaar versterken. In de klaslokalen van nu en van de toekomst zullen de schermen niet verdwijnen, maar we kunnen wel proberen ze via de inhoud te koppelen aan gedrukte media zoals boeken, en op die manier het lezen stimuleren en verdiepen.

Bijvoorbeeld zo:

  1. Bekijk een filmpje van ontkieming van een zaadje
  2. Bekijk het nog eens samen met iemand en probeer steeds even te stoppen en te benoemen wat je ziet
  3. Schrijf samen een verslag over wat je zag in de verschillende fasen in het groeiproces
  4. Lees daarna samen een aangereikte tekst op papier over ontkieming en benoem samen wat je herkent van wat je observeerde in het filmpje
  5. Zoek zelf nog een tekst of website over plantengroei en bespreek eerst de betekenis van de afbeeldingen en graphics: wat zie je? wat leert het plaatje je?
  6. Bespreek welke informatie uit de tekst nog iets nieuws toevoegt aan je begrip van hoe een plant groeit
  7. Maak een infographic over plantengroei met gebruik van vakwoorden die je in de teksten hebt gevonden

Dit alles uiteraard met passende, stapsgewijze hulp. En natuurlijk kan het kijken naar een filmpje ook vervangen worden door het observeren van een echte ontkieming in de klas.

Kijken naar filmpjes, afbeeldingen of werkelijke objecten kan zo een hulpmiddel (scaffold) zijn bij begrijpend lezen. Zie bijvoorbeeld deze blogpost van Erna van Koeven en Anneke Smits, waarin de wederzijdse versterking van digitale middelen en begrijpend lezen wordt verduidelijkt. Kijken maakt dom? Kijken helpt bij lezen!

Uitproberen in de stageklas

Mijn studenten proberen dit schooljaar allemaal te werken met begrijpend lezen, begrijpend kijken, gesprekken en schrijven over één zaakvakonderwerp. Ze selecteren over dit onderwerp twee gedrukte teksten, een digitale tekst en een filmpje om gedurende een niet te lange tijd (ongeveer drie lessen) mee te werken. Daarbij is hun enige doel: kinderen te motiveren tot lezen, denken, praten en schrijven over het onderwerp. En te observeren of dit lukt.

In de grote groep en in kleinere groepjes praten kinderen over de inhoud van de teksten en het filmpje, ze zoeken gericht naar informatie in die bronnen, brengen teksten en beelden met elkaar in verband, ze krijgen stapsgewijze ondersteuning bij het schrijven van een tekst en het maken van een schema of tekening. Verschillende taalvaardigheden, verschillende communicatievormen en verschillende tekstvormen komen op een betekenisvolle manier samen. Je kunt ook zeggen: de kinderen ontwikkelen hun multimodale geletterdheid. Daarbij leerden ze dit eerste semester over uiteenlopende onderwerpen als D-day, Griekse goden, leven in de ruimte, het zorgen voor huisdieren, soorten bomen.

 

Mijn studenten zijn grotendeels enthousiast, zoals blijkt uit een van de reflecties achteraf:

Wat mij bij blijft na de uitvoering van de lees- en schrijfactiviteiten is dat leerlingen het heel fijn vinden als bij het lezen van teksten de leerlingen de ruimte geeft om na te denken over de tekst en hierover te praten. Tussendoor even over de tekst denken en praten behoudt de intrinsieke motivatie van de leerlingen en dat merkte ik tijdens mijn les. De leerlingen waren aan het lezen en wisten waar de tekst over ging en konden benoemen wat ze nog niet wisten en wat zij al wel wisten.

Ik merkte door mijn lessen dat met begrijpend leesonderwijs tijdens de reguliere lessen op school niet veel gedaan wordt na het lezen van de tekst. Tijdens mijn les merkte ik dat de leerlingen het heel leuk vonden om wat met de tekst te doen in plaats van vragen te beantwoorden daarna en verder niks. Door het praten over de tekst en na te denken over de tekst werden de leerlingen intrinsiek gemotiveerd. Er zou meer gepraat en nagedacht moeten worden over de teksten die de leerlingen lezen.

Schrijfonderwijs is heel belangrijk na het lezen van een tekst. De input die de leerlingen krijgen, na de tekst daadwerkelijk ook gebruiken. Dat is wat het betekenisvol maakt voor de leerlingen en waardoor het onderwerp en de informatie blijft hangen na het lezen van de tekst. Leerlingen mogen dan hun eigen visie op de teksten creëren en maken het eigen. Dat is mooi om te zien en erg belangrijk.

Zal een dergelijke aanpak iets veranderen aan de ontlezing (en aan eventuele ontschrijving)? Dat hoop ik en verwacht ik.  Vooral hoop ik dat leerkrachten zelf ook weer zin krijgen in lezen en schrijven, dat ze daarbij digitale technologie zullen inzetten, en dat boeken een vaste, onmisbare plek naast de schermen zullen innemen. We leven in een overgangstijd waarin we ervaring moeten opdoen met de relatie tussen oude en nieuwe media, zoals Maryanne Wolf zegt in dit interview  over diep lezen in een digitale wereld:

Understanding precisely what constitutes the advantages and disadvantages of each medium for different types of text and the best medium for the different purposes of reading by different types of individuals will be the complex, essential work of the future science of reading.

De samenhang tussen modaliteiten (praten, luisteren, kijken, lezen, schrijven, tekenen, filmen en fotograferen) kan centraal komen te staan in hedendaags taalonderwijs, hopelijk met een positief effect op de leesvaardigheid en de kennisverwerving van alle soorten leerlingen.

.

 

 

Lezen is leren schrijven

De storm van bezorgdheid over de afnemende leesvaardigheid en leesplezier van Nederlandse kinderen is weer een beetje geluwd, na enkele weken van over elkaar heen buitelende, alarmerende berichten in de media. Iedereen heeft wel een mening hierover, lijkt het, en behoorlijk uitgesproken ook. Veel vingers wijzen naar niet-lezende pabostudenten en leerkrachten, of naar pabo’s die te weinig aan lezen zouden doen. Twee vragen houden mij bezig: 1) Is dit weer zo’n maatschappelijk probleem dat op het bordje van het onderwijs geschoven wordt? en 2) Wat betekent dit leesprobleem voor schrijfvaardigheid en schrijfplezier?

Het antwoord op de eerste vraag zoek ik in de PISA-grafiek over leesvaardigheid, die iedereen inmiddels wel ergens heeft zien langskomen:

Kijkend naar de grafiek vraag ik me af wat er tussen 2012 en 2019 gebeurd is, in het onderwijs en in de maatschappij, dat het vanaf toen zo naar beneden duikelde, vooral in Nederland. Op internet vond ik een interessant grafiekje, dat een vergelijking tussen 2010 en 2012 aangeeft:

en nog opvallender:

In twee jaar van zes miljoen uren per maand naar 43 miljoen uren per maand besteden aan Facebook! Ik wist wel dat er zoiets gebeurd moest zijn, maar de precieze datering stond mij niet bij. Toen ze het PISA onderzoek van 2012 deden, was deze explosieve stijging dus net gaande. Lezen? Absoluut geen tijd meer voor!

In 2016 bleek uit verder onderzoek dat de smartphone bij veel mensen 24 uur per dag standby is, check het volgende diagrammetje:

In de toelichting lees ik het volgende:

Ook ’s nachts. Meer dan 30% van de respondenten bekijkt hun smartphone midden in de nacht. In de meeste gevallen (23%) om te kijken hoe laat het is, gevolgd door het checken van social mediaberichten (9%) en het lezen van instant messaging (8%). Vooral 18 tot 24-jarigen kijken op hun telefoon wanneer zij eigenlijk horen te slapen. Dit geldt voor 54% van de respondenten in deze leeftijdscategorie. Ter vergelijking: van de 45 tot 54-jarigen checkt 24% hun telefoon gedurende de nacht. 

Het klassieke stiekem een boek lezen onder de deken met een zaklamp is grootscheeps vervangen door stiekem smartphones kijken onder de deken (zaklamp niet nodig, dat is dan wel weer handig).

Een vergelijking in 2018 tussen verschillende landen leert dat Nederland bovenaan staat in smartphonebezit:

Citaat:

Nederland #1 smartphoneland

Uit het onderzoek blijkt dat de Nederlandse markt voor smartphones, vergeleken met de andere dertig landen in het onderzoek, het grootst is. 93% van de Nederlandse consumenten geeft aan in het bezit te zijn van een smartphone, een flinke 8% meer dan in grote Europese economieën als Duitsland en het Verenigd Koninkrijk (beide 85%). Scandinavische landen kennen net iets meer smartphonegebruikers met 86% in Denemarken en Finland en 89% in Zweden. Ierland en Luxemburg zijn samen met Turkije en Spanje verder de enige landen die boven de 90% smartphonegebruikers uitkomen. Buiten Europa hebben voornamelijk Chinezen en Australiërs vaak een smartphone, met respectievelijk 89% en 88% van de respondenten die een smartphone bezitten. Het smartphonebezit heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke groei doorgemaakt. Had in 2013 nog minder dan 75% van de Nederlandse respondenten een smartphone, in 2017 is dit aandeel gestegen naar 93%. 6 procentpunt van die stijging is het afgelopen jaar gerealiseerd.

Ook dat geeft te denken. Wij zijn de absolute top in smartphonebezit! En toevallig correspondeert die top met het dal in de PISA grafiek? Correlatie of causaal verband, zeurt mijn wetenschappelijk geweten. Tja, laat iemand dat eens onderzoeken, en dan gelijk de opmars van Netflix, online gaming, Instagram en YouTube erbij betrekken. Of die van online spelletjes en filmpjes voor kleuters.

Eigenlijk weten we het wel. De verandering in leesvaardigheid geldt ook voor volwassenen, die opgroeiden met boeken lezen (al dan niet onder dekens), met bibliotheken en hopelijk veel voorlezen. We lezen zelf ook minder, of eerder: we lezen anders, vluchtiger. De zogeheten ‘Stavanger Verklaring over de Toekomst van Lezen’, die in de media veel minder aandacht heeft gekregen dan het PISA onderzoek, onderbouwt overtuigend de stelling dat dit een gevolg is van verschillen tussen schermlezen en papierlezen. Het lijkt me duidelijk: sinds we allemaal naar schermpjes zitten te staren, te scrollen en swipen, ongeveer vanaf 2012, is de leesvaardigheid gekelderd. En met de vaardigheid, ook het plezier.

Inderdaad moet het onderwijs dit primair maatschappelijke probleem maar weer eens oplossen, volgens velen. Die swipende pabostudenten moeten met de zweep aan het papierlezen gebracht worden. Paul van Loon in de Volkskrant van 14 december: ‘Leerkrachten die zelf niet van lezen houden, moeten een ander beroep kiezen.’ Nou, dat gaat het lerarentekort nog eens helpen oplossen!

Mijn theorie is op dit moment: dat we beginnende leerkrachten inzicht moeten geven in hun eigen leesgedrag, samen met hen moeten zoeken naar manieren om schermlezen met goede begeleiding te verdiepen, en papierlezen daarnaast structureel vast te houden, voorzien van de instructie en begeleiding die passen bij de kinderen van deze tijd. Zie bijvoorbeeld op dit blog hoe dat zou kunnen.

Tenslotte: hoe zit het met de relatie tussen leesvaardigheid en schrijven? Die is zonneklaar: lezen is leren schrijven. Wie niet leest, heeft geen idee hoe teksten in elkaar kunnen zitten, hoe ze van elkaar kunnen verschillen, wat de effecten zijn van woordgebruik en zinsconstructies. Kinderen die goed schrijven, en er dus plezier in hebben, zijn over het algemeen lezende kinderen. Ze hebben minder instructie en begeleiding nodig, omdat het lezen van voorbeeldmatige teksten die ook vanzelf al levert.

Een leerkracht die dit effect van lezen op schrijven wil benutten, moet zich bewust zijn van hoe je, al lezend, naar teksten kunt kijken, hoe je ze kunt bespreken, wat maakt dat ze doeltreffend zijn of niet. Niet door de hele tijd teksten tot op de draad te analyseren, maar vooral: door veel te lezen met de kinderen samen, veel over die teksten te praten, en ook veel te schrijven tussen het lezen door. Liefst langere tijd over een onderwerp. Misschien kan het plezier in lezen en schrijven al doende, in gesprek met kinderen, ook bij leerkrachten weer terugkomen. En hoeven zij niet eerst een hele leescanon door te werken op de pabo.

In een volgend blog zal ik laten zien hoe mijn studenten proberen te werken met kleine lees/schrijf-units over een zaakvakonderwerp, en waar ze dan tegenaan lopen.