Vakantielijstjes

 

Het is mijn gewoonte om aan de start van het nieuwe schooljaar iets te bedenken om kinderen van alle leeftijden met plezier over hun vakantieperiode te laten schrijven (en tekenen). Eerdere blogs gingen over het inzetten van je eigen concrete vakantieherinneringen, het schrijven in diverse genres over de vakantie, en manieren om over het weer te schrijven. Misschien zit daar iets voor jou tussen, als je bezig bent met bedenken wat je de eerste schooldagen met je nieuwe groep kunt doen. Iets leuks, en liefst ook iets waarmee je je groep gelijk op het goede spoor zet van een positieve, enthousiaste schrijfcultuur. Schrijven over de vakantie is een beetje uitgekauwd, maar als je het doordacht aanpakt kan je het benutten als startpunt voor een jaar lang verder komen met schrijven.

Dit jaar wil ik je aandacht vestigen op het nut en het plezier van lijstjes maken, toegespitst op het onderwerp ‘de zomervakantie’. Binnen de werkwijze van de taalronde is het maken van een lijstje een belangrijke stap. Na een levendige vertelronde in de kring, waarin van alles naar boven is gekomen, krijgen kinderen de gelegenheid om even voor zichzelf na te gaan wat er allemaal in hun hoofd is opgekomen tijdens de vertelronde. Dat is meestal veel, ook bij de kinderen die niets verteld hebben. Ze krijgen de kans om even rustig van alles op te schrijven, en vervolgens na te denken waarover ze willen vertellen en schrijven. Juist bij zo’n breed onderwerp als de vakantie is dat van belang. Het gaat niet om de helevakantie, het gaat om kleine ervaringen daarin die je je nog heel goed herinnert.

Belangrijk is dat kinderen het concept ‘lijstje’ begrijpen. Het is geen verhaaltje, het zijn losse punten die onder elkaar staan. Het lijstje kan geschreven of getekend worden. Bij een schrijflijstje gebruik je voor elk punt een nieuwe regel, en eventueel liggende streepjes of bullets. Bij een tekenlijstje staan de vakjes voor elk tekeningetje al op het blaadje, ook onder elkaar en niet naast elkaar zoals in een stripverhaal. Het kan nodig zijn om samen een voorbeeldlijstje op het bord te maken, bijvoorbeeld met jouw eigen ervaringen als uitgangspunt. Wel weer weghalen voor ze zelf aan de slag gaan, anders komen ze in de verleiding het te gaan overschrijven.

Drie tekenlijstjes uit de onderbouw over ‘dingen die gebeurden met water’

Uit het lijstje met ideeën kiest elk kind iets waarover hij of zij meer wil en kan vertellen. Het vertellen gebeurt in een tweetalgesprek van tweemaal 1-3 minuten. Dit mondelinge verwoorden is de voorbereiding op het schrijven van een tekst daarna. Een lijstje is dus geen verzameling ‘steekwoorden’ die je in je tekst gaat opnemen – een vorm die je nogal eens in taalmethodes tegenkomt. Het is een inventarisatie van mogelijke onderwerpen, en bedoeld om uit te kiezen.

Het is belangrijk om van tevoren na te denken over de precieze opdracht voor een lijstje. ‘Maak een lijstje van de drie leukste dingen die je in de vakantie gedaan hebt’, is een erg brede opdracht. Werkelijk alles kan erop komen, je moet bovendien hard nadenken over wat nu het allerleukst was in die zes vrije weken, en wat als er eigenlijk niks heel erg leuk was? Zeker binnen het onderwerp ‘vakantie’ is het belangrijk om de opdracht af te bakenen en heel concreet te maken. Daarnaast moet iedereen kunnen meedoen, ook degenen die de hele vakantie thuis gebleven zijn.

Lijstjes maken van voorwerpen, personen of plekkenis meestal makkelijk. Je kunt die vaak met een enkel woord aanduiden en die woorden dan onder elkaar schrijven. Voorbeelden van opdrachten: maak een lijstje van voorwerpen die je in de vakantietijd in je handen hebt gehad; van mensen die je in de vakantie bent tegengekomen; van plekken waar je geweest bent waar water was. Moeilijker is het voor kinderen vaak om een lijstje van handelingen, situaties, momenten of gebeurtenissente maken. Daarvoor zijn meer woorden nodig, en die veranderen al gauw in een heel verhaal. Je moet leren hoe je een korte zin over zoiets kunt opschrijven, of een enkel woord dat voor jouzelf genoeg zegt. Ook hierbij kan het handig zijn om eerst hardop denkend een eigen voorbeeld op het bord te maken.

Tijdens het maken van een lijstje hoeft het niet doodstil te zijn. Terwijl de kinderen aan hun lijstje beginnen, lees je af en toe hardop voor wat jij op je eigen lijstje hebt geschreven of getekend, of wat je op lijstjes naast je ziet verschijnen. Dat helpt anderen weer op ideeën. ‘Afkijken’ is bij deze werkvorm juist productief! Ook kan je kinderen nog even herinneren aan dingen die ze tevoren in de kring verteld hebben, zodat die in elk geval ook op de lijstjes komen. Een variatie op individueel lijstjes maken is met zijn allen een lijst op het digibord maken.

Hieronder geef ik voorbeelden van lijstjesopdrachten over de vakantietijd. Ze brengen je hopelijk op ideeën om het schrijven over de vakantie voor iedereen interessanter te maken. Het gaat wat mij betreft niet om lange teksten, maar wel om gedetailleerde, beeldende teksten die maken dat je iets helemaal voor je ziet. Daarbij is tekenen een goed hulpmiddel. Ik geef bij elk lijstjesonderwerp kort aan aan welke items en opdrachten je kunt denken.

Precies een plek tekenen

Lijst van lijstjesopdrachten

  • Lijstje van voorwerpen die je tijdens de zomervakantie in je handen gehad hebt

Voorbeelden: parasol; een fietsstuur; een mondkapje

Tekenen: teken het voorwerp op de plek waar je het in je handen had

  • Lijstje van dieren die je in de vakantietijd hebt gezien

Voorbeelden: een kakkerlak; kalfjes; meeuwen

Tekenen: teken het dier op de plek waar je het zag en wat het deed

  • Lijstje van voorwerpen die je in de natuur gezien hebt

Voorbeelden: schelpen; zeewier; stenen; een dikke boom

Tekenen: teken het voorwerp heel groot, zo precies mogelijk (of: een uitvergroot stukje ervan)

  • Lijstje van dingen die je in de vakantie hebt gedaan met je lijf (werkwoorden)

Voorbeelden: fietsen; drijven; graven; dansen

Tekenen: teken jezelf terwijl je het doet, op de plek waar je het deed

  • Lijstje van geluiden die je hoorde op verschillende plekken waar je was in de vakantie

Voorbeelden: drilboor; vliegtuigjes; radio van de buren; huilende baby; regen

Tekenen: 1. teken jezelf op de plek waar je het geluid hoorde, 2. teken de geluidsbron in een ander vakje

  • Lijstje van spelletjes die je in de vakantieperiode hebt gespeeld

Voorbeelden: scrabble; fort bouwen; verstoppertje; zwembadspelletje

Tekenen: teken in drie plaatjes hoe het spelletje ging

  • Lijstje van plekken buiten waar je geweest bent

Voorbeelden: strand; plein bij oma; tuin; parkeerplaats

Tekenen: teken zo precies mogelijk de hele plek

  • Lijstje van dingen die je met of bij water gedaan hebt

Voorbeelden: spatten; over een golf springen; varen; over een hoge brug rijden

Tekenen: teken jezelf terwijl je het aan het doen bent

  • Lijstje van bewegende dingen waar je in of op gezeten hebt

Voorbeelden: surfbord; auto; pony; skelter; opblaasdolfijn

Tekenen: teken het ding terwijl jij er op of in zit

  • Lijstje van dingen die je met een volwassene/kind samen hebt gedaan

Voorbeelden: tuin sproeien; auto wassen; vissen; inpakken; koken

Tekenen: teken de plek waar jijzelf met die persoon iets aan het doen bent

  • Lijstje van dingen die misgingen in de vakantietijd

Voorbeelden: struikelen; mijn pet verliezen; de weg kwijtraken; voor een dichte deur staan

Tekenen: teken in drie plaatjes hoe het begon, verder ging en afliep

  • Lijstje van dingen waar je op bent geklommen in de vakantie

Voorbeelden: een berg; een duin; een dakje; een boom

Tekenen: teken het ding met jou erop/in

Zo, wel even genoeg denk ik! Bedenk zelf nog veel betere onderwerpen voor lijstjes, liefst op basis van wat je te horen kreeg in de vertelkring. Vergeet niet dat na het maken van een lijstje en eventueel het tekenen, een essentiële stap volgt: het gedetailleerd vertellen aan een aandachtige luisteraar die heel veel vragen stelt. Dat maakt het makkelijker om vanuit het lijstje en het tekenen over te stappen naar het schrijven.

Ik wens iedereen veel plezier!

Schrijven over iets waar je op geklommen bent in de vakantie

Taalonderwijs over kunst: kijken, lezen, doen en schrijven

 

Het onderwerp ‘kunst’ ben ik vaak tegengekomen op scholen die thematisch onderwijs geven. Ik wist meestal niet wat ik ermee moest, ‘kunst’ is zoiets breeds, en vaak bleek dat vooral gedacht werd aan leuk creatief bezig zijn – of dat nou ‘kunst’ is?  Volgens de nog geldende kerndoelen zou ‘kunstzinnige oriëntatie’ in het basisonderwijs gericht moeten zijn op zelfexpressie, reflectie op kunstwerken, en kennis over cultureel erfgoed. Veel invalshoeken, en dus veel kansen voor goed taalonderwijs als je het mij vraagt, met interessante mogelijkheden voor schrijven.

Tijdens de Corona-schoolsluiting kwam ik een online project tegen over drie kunstenaars (Christo, Keith Haring en Banksy), dat mij een goed voorbeeld lijkt van hoe je kinderen aan het denken, lezen en schrijven kunt zetten over kunst. Met hun hoofd, met hun handen, met hun hart ook. Terwijl ik deze post schrijf komt ineens het bericht binnen dat een van die kunstenaars, Christo, is overleden. Het onderwerp kunst kan ook actueel zijn. Christo wilde de Arc de Triomphe inpakken. De kinderen die in het kader van dit projectje hun driewieler of hun gitaar hebben ingepakt, zullen dit nieuwsbericht met extra interesse lezen. Het sneeuwbaleffect van goed leesonderwijs: betrokken lezen leidt tot meer lezen!

Het project is een voorbeeld van het multimodale taalonderwijs waar ik de laatste tijd naar op zoek ben: rondom een klein, concreet onderwerp de taalvaardigheden spreken, lezen en schrijven versterken. En daarbij ook aandacht te besteden aan kijken en visualiseren. Wat leren kinderen zo? Ik interviewde daarover Rob van de Sande, die het project bedacht. Rob geeft als invaller les aan basisschoolgroepen in Zeeland en was eerder docent Nederlands aan de pabo in Den Bosch. Hij voerde het project op afstand uit met zijn groep 7 die thuis in spanning op zijn opdrachten zat te wachten.

Schrijven voor een krant die gelezen wordt

Twee dagen per week was Rob verantwoordelijk voor een online programma bestaande uit opdrachten en contactmomenten met groepjes. Hij besloot naast de gebruikelijke oefeningen uit methodes ook interessantere opdrachten te geven, daarbij ook denkend aan de begeleidende ouders:

Rob: ‘Die ouders hebben het zwaar nu, dus er moeten ook creatieve dingen in, toen dacht ik meteen aan schrijven, laat ik beginnen met schrijven. In combinatie met andere dingen.’

Zijn idee was kinderen te laten schrijven voor een online krant, zodat hun tekeningen, foto’s en teksten gepubliceerd konden worden.

Wat is een goed onderwerp?

Beginnen bij een onderwerp, schreef ik in mijn vorige blog over taalonderwijs in tijden van tijdnood. Hoe is Rob op die drie kunstenaars gekomen toen hij met zijn krant bezig was?

Rob: ‘Ik dacht eerst: die kinderen maken nu iets mee dat niemand nog ooit heeft meegemaakt in zijn leven: thuis opgesloten zitten een paar weken, en dan je onderwijs met je ouders moeten doen. Ik dacht: die kinderen schrijven geschiedenis. Ze moeten zelf hun eigen geschiedenis schrijven. Dus de eerste opdracht was: schrijven over de helden van nu in Coronatijd. Niet Michiel de Ruijter of zo, het zijn nu andere helden.

In de tweede week gingen ze zich vervelen, het was ook slecht weer, ze kwamen de deur niet uit, toen dacht ik aan de opdracht ‘wat zie je en hoor je vanuit je raam’. Toen kreeg ik schitterende teksten terug omdat ze hun zintuigen daarin betrokken. Dus de tweede krant ging over dat onderwerp.

Toen kwam ik op het idee van die kunstenaars. Omdat ik mijn hele leven al het idee heb dat we te weinig aan kunst doen in het onderwijs, wel een beetje laten tekenen en schilderen, maar een beetje kunstgeschiedenis, een beetje kennis van zaken, dat niet, dus ik dacht ik begin bij hedendaagse kunstenaars.’

Een onderwerp inhoud geven

Hoe konden de kinderen de nodige kennis opdoen over kunstenaars waar ze nog nooit van gehoord hadden?

Rob: ‘Ik dacht: nou moet ik gaan lesgeven. Maar waarom moeten we altijd lesgeven? Waarom zouden we niet het experiment aangaan en eens kijken: kunnen we kinderen met een selectie van filmpjes en websites zoals www.jeugdbieb.nl zich voldoende laten informeren en een beeld laten vormen, zodat ze in staat zijn om iets te maken.

Ik heb ze expres niets zelf laten zoeken, maar heb gezegd: dit zijn de bronnen, vier, vijf filmpjes en kies er minstens twee uit, maar liever meer. Ik gaf er een paar keer een ondersteunend online lesje bij, dan had ik een diaserie gemaakt met wat plaatjes en foto’s van mezelf, of daar zat in: de kenmerkende dingen van Christo, of Haring. Belangrijk is bijvoorbeeld bij Christo: iets inpakken dat we allemaal kennen, en dat je het zo kunt inpakken dat we kunnen zien wat het is.

Er was de mogelijkheid om via de mail vragen te stellen. Dan konden ze aangeven: ‘ik kan dat filmpje niet vinden’, of ‘ik vind het te moeilijk’, etcetera. Of ‘ik snap het niet’ of: ‘het is Engels!’ Dan zei ik ‘Ja dat klopt, Keith Haring is Amerikaans, maar dat is goed voor je Engels, ga nou maar gewoon luisteren!’

 

 

 

 

 

 

 

Kijken in het kader van taalonderwijs

In het filmpje over Banksy zie je alleen beelden van de veiling waar mensen bieden op een kunstwerk dat meteen na de verkoop versnipperd wordt. Nauwelijks toelichting. Hoe werkt dat?

Rob: ‘Ik heb helemaal opengelaten hoe ze ernaar moesten kijken, want ik weet namelijk dat ze daarover destijds iets gezien hadden in het Jeugdjournaal. En toen had ik het daar al eens over gehad: wat is kunst, wat is bijzonder aan deze man. Dus daar heb ik niet zoveel aan hoeven doen. Bij die andere twee kunstenaars heb ik wel wat meer informatie gegeven in de opdracht, bijvoorbeeld bij Keith Haring een uitgebreide beschrijving door mijzelf, en bij Christo een powerpoint. Ik gaf wel aanwijzingen bij de filmpjes, bv op welk punt ze iets interessants konden zien.’

Kan dat wel, het kijken aan de kinderen overlaten? Mijn ervaring is dat er veel passief naar filmpjes wordt gekeken en kinderen er vaak weinig aan overhouden.

Rob: ‘Ik werk vanuit mijn eigen perceptie en ervaring. En dat probeer ik ze mee te geven. Modelendoe ik ook bij dit soort dingen: ‘ik vind het fantastisch, ik weet niet of jij dat ook vindt, maar ik vind dat je even moet kijken, zie je dit? Vooral met kijken: heb je dit gezien? Heb je dat gezien? Kijk hier eens, kijk daar eens, dat vind ik fijn werken.

Bij Piet Mondriaan bijvoorbeeld ben ik samen met de kinderen naar die schilderijen gaan kijken, analyseren, toen we bezig waren met een boek van Ted van Lieshout over kleuren. En ik kan dan ook weer iets vertellen over Piet Mondriaan, dat is dan weer mijn tekst.’

Is het wel taalonderwijs

Een kwestie bij vakintegratie is vaak of de afzonderlijke vakgebieden wel genoeg en op de juiste manier aan de orde komen. Kan je dit nu ook taalonderwijs noemen of is dat een devaluatie van de term? Werk je bewust aan taaldoelen?

Rob: ‘Het is niet dat ik mijn lijstje met doelen van de SLO erbij pak. Wat ik wel regelmatig doe is kijken van, wat heb ik nou gedaan? Dan pak ik die lijst erbij en dan denk ik, wacht eens even dit heb ik dus gedaan, dus blijkbaar doe ik die dingen en word ik me ervan bewust als ik die lijst erbij pak.

Ik ben me heel erg bewust van de woorden die ik typ als ik een opdracht geef of als ik zo’n powerpoint maak, dan denk ik ‘zal ik dit woord nou gebruiken of niet’, zal ik hier nou zetten ‘moderne kunst’, ‘grafisch ontwerp’, dan denk ik: zo moeilijk mogelijk maken, en dan maar uitleggen, boven dat niveau gaan zitten. Dus ik ben me heel erg bewust van woordenschat.

Uit de kerndoelen voor kunstzinnige vorming

Wat lezen betreft heb ik tijdens het online onderwijs heel bewust ingestoken op leesbevordering en leesmotivatie. Ik heb 25 boeken gekocht, die heb ik laten bezorgen bij de kinderen thuis, de onderwijsassistent heeft ze bezorgd. Uit dat boek van Ted van Lieshout over kleuren heb ik acht pagina’s gescand, die heb ik naar de kinderen gestuurd, die moesten ze van tevoren lezen en die ging ik klassikaal met de tekst op het scherm met hen doorlopen en erover praten.’

Schrijven op afstand

Iets kijken, iets lezen, iets luisteren, iets doen, en… iets schrijven? Vond je het een vorm van schrijfonderwijs?

Rob: ‘Bij schrijven zette ik er duidelijk de tekstsoort bij en het publiek. Dus bijvoorbeeld bij de laatste opdracht over de drie kunstenaars: ik wil weten welke jou het meest aanspreekt, van wie zou je weleens een tentoonstelling willen gaan bezoeken als die in Nederland zou komen, maar ik wil vooral weten: waarom? Dus ik vroeg om een meningstekst: leg nou eens uit aan andere kinderen wat er zo interessant is, zodat ik dit krantje kan meenemen naar een andere groep 6 of 7, en dat zij dit lezen en denken ‘o wat leuk kunnen we het daar eens over hebben’. En nieuwsgierig worden. Dus ik gaf wel gerichte opdrachten. En die waren dan aangepast op de Corona-omstandigheden, dat opgesloten zitten in huis met familie. Ik liet ze vrij, maar ik stelde wel vragen.’

Voorbeelden van de schriftelijke opdrachten

Ik heb wel echt mijn prioriteiten verlegd naar lezen en schrijven. Ik zei ‘aan het eind van de dag wil ik echt dat stukje tekst hebben’. En dan kreeg ik het van allemaal. Daar hoefde ik niet achteraan te jagen. Dat kwam ook omdat ze het heel leuk vonden. Dat hoorde ik ook van ouders: ‘hij vindt dit zulke leuke opdrachten!’

Teksten bespreken vond ik wel nog moeilijk. We moesten nog wennen aan online werken. Maar dat is wel een stap die ik nog zou willen gaan zetten. Ik heb wel drie kinderen gevraagd om met mij in de redactie van de krant te gaan. En die heb ik online laten zien hoe je zo’n krant in elkaar zet. En met die kinderen, het zijn er dan maar drie, kan ik wel oefenen in elkaar feedback geven. Dan is het wel niet de hele groep, maar zij leren heel veel, ik leer veel, en dan kunnen we het daarna wel weer gaan uitbreiden.

Die drie meiden zaten met mij in de vergadering, en ik zei: jullie willen misschien online een beetje overleggen, dus ik ga nu koffiedrinken en ik zet mijn camera en microfoon uit, en als jullie klaar zijn dan sluit je maar af. Dus zo zou ik ook online elkaars teksten kunnen laten bespreken.’

Voor- en nadelen van online onderwijs

Deze aanpak is zomaar ontstaan tijdens de schoolsluiting. Wat had je in normale omstandigheden anders gedaan?

Rob: ‘Ik liet nu de hele tijd boeken zien voor de camera om ze enthousiast te maken. Maar in de klas heb ik die boeken natuurlijk bij me. Ik heb thuis twee zulke dikke boeken van Keith Haring, dus ik heb gezegd: als we weer naar school gaan dan neem ik ze mee, kan je er in bladeren. Dus anders waren er echte boeken bij. En dan kan het ook dat ik een filmpje samen met hen bekijk, om te laten zien hoe ik filmpjes kijk, wat ik belangrijk vind: stopzetten, terugspoelen, even terug, notities maken… Ik ben heel veel bezig geweest met aantekeningen maken, ik lees de tekst voor en noteer wat belangrijk is. Dat soort dingen zou ik op school natuurlijk meer doen.

En interactie is dan makkelijker. Het grappige is, er zijn nu heel veel kinderen heel stil, maar er zijn een paar kinderen die manifesteren zich nu online meer, omdat ze geen last hebben van pesterijen waardoor ze zich geremd voelen. Dus ik zie een totaal andere klas dan in het echte leven.

Ik heb het idee dat meer taalzwakke kinderen tot hun recht kwamen, misschien ook doordat ze gesteund werden door hun ouders. Het gros van de ouders zit er bovenop. Ze willen graag dat hun kind goed werk aflevert. Ze zijn heel bezorgd en betrokken, ze lezen de opdrachten mee en ze kijken naar wat die kinderen doen. Ik heb het idee dat de taalzwakkeren aan de gang zijn gegaan.’

Ik zou het jammer vinden als het hiermee zou stoppen. Er zijn heel veel mogelijkheden die we nog niet kennen, ik denk dat er een heel nieuwe didactiek gebouwd kan worden. En dan denk ik bijvoorbeeld aan luisteropdrachten die ik gegeven heb. Met podcasts bijvoorbeeld. Dan geef ik ze drie podcastseries, en dan zeg ik kies uit iedere serie 1 podcast, en wat vond je daaraan interessant, wat is je opgevallen, aan welke zou je mee willen doen. Dit soort dingen kunnen online. Ik zou denk ik wel 75 tot 80 procent van het gewone onderwijs online kunnen doen. Ik word dan gedwongen om de essenties te zoeken qua doelen en qua stof. Als kinderen eraan gewend raken, zoals mijn klasje na zes weken, dan kan je zoveel dingen doen. De concentratie is veel hoger, ze zijn altijd eerder klaar.

Neem nou de taalronde. Die gaat natuurlijk het beste samen in een lokaal. Maar dan gaan we uit elkaar, we gaan teksten schrijven, die gaan we bespreken en dat ga je online doen. Of, als je dat gedaan hebt, dan ga ik online contact met je zoeken want ik wil weten wat we met die tekstjes kunnen gaan doen. Dus dat kan je gewoon opsplitsen.

Online zijn kinderen minder afgeleid door het sociale proces. Ik zie dat kinderen veel beter presteren op een aantal gebieden. Mijn voorstel om het lerarentekort in Nederland een beetje terug te dringen: we gaan allemaal vier dagen naar school en 1 dag doe je online. Of je hebt een paar mensen op je school die bedenken en maken die online lessen en de anderen gaan ze uitvoeren.

Ik wil vooral de actualiteit erin betrekken. Dus als ik uit het Jeugdjournaal iets kan halen waar ik iets mee kan, dan ben ik spekkoper. Het leuke vond ik van Christo dat ik kon aangeven dat die man in september de Arc de Triomphe zou gaan inpakken, en er komt een moment in hun leven dan komt die ingepakte Arc de Triomphe voorbij en dan denken ze ‘ach verrek, dat is Christo, wat leuk!’ En dan heb ik iets bereikt. Het kringetje is rond. Ik zoek altijd naar verbindingen.’

Een bevlogen taalleerkracht

Misschien heeft het gedwongen thuisonderwijs ook gezorgd voor vrijheid, waarin Rob deze nieuwe aanpak van taalonderwijs kon uitproberen, in dit geval samengaand met kunstonderwijs. Hij laat zien hoe hij vanuit zijn eigen interesse in een onderwerp ook de kinderen geïnteresseerd weet te maken, en hoe hij alle mogelijke on- en offline media gebruikt om ze aan het werk te zetten. De kinderen zaten thuis te tekenen, in te pakken, te schrijven, naar filmpjes te kijken. Ze zijn weer iets wijzer geworden over wat kunst nou eigenlijk is. Ongemerkt hebben ze daarbij ook hun taalvaardigheid uitgebreid. Het sterkt mij in het idee dat inhoudsgericht, geïntegreerd taalonderwijs niet ingewikkeld of extreem tijdrovend hoeft te zijn. Bevlogenheid over een onderwerp is de belangrijkste voorwaarde.

Neem toch de fiets

Illustratie Maartje Kuiper

 

De Kinderboekenweek staat weer voor de deur en dit jaar is het thema ‘vervoer’. Een fijn thema, vind ik. Iedereen vervoert voortdurend van alles, niet alleen zichzelf maar ook spullen, andere mensen, dieren. Ik ben een beetje bang dat het in veel klassen vooral over ‘reizen’ zal gaan, en dat kinderen dan denken dat ze moeten vertellen over vliegreizen naar verre vakantiebestemmingen. Of, aangereikt door het prentenboek van deze Kinderboekenweek (André het astronautje op zoek naar Laika) over raketten die door de ruimte vliegen. Gelukkig is daar ook het Kinderboekenweekgeschenk van Anna Woltz, Haaientanden, waarin de hoofdpersoon het hele boek door op de fiets zit.

De fiets is volgens mij de meest revolutionaire, waardevolle uitvinding van de mensheid. Misschien op gelijke hoogte met het wiel en de boekdrukkunst. Joepie! dacht ik toen ik het boekje van Anna Woltz las. We kunnen in de Kinderboekenweek gaan vertellen en schrijven over fietsen!

Ik heb nogal wat ervaring met schrijven over fietsen, realiseer ik me. Waarschijnlijk komt dat omdat het een onderwerp is waarmee echt iedereen in Nederland ervaring heeft. Als je al niet zelf diverse fietsen in je leven hebt bezeten, heb je toch weleens achterop de fiets gezeten bij iemand of ben je weleens bijna door een fiets aangereden. Fietsen zijn intrigerende objecten; de opdracht om er een te tekenen is op zichzelf al enorm uitdagend voor alle leeftijden.

 

Met fietsen kan je kunstjes doen, kan je zelfstandig op allerlei plekken komen, er kan van alles aan kapot gaan dat je nog zelf kunt begrijpen en repareren, je hebt er onnoemelijk veel soorten van, er kan van alles mee gebeuren.

 

In het boek van Anna Woltz heeft een meisje zichzelf ten doel gesteld om rond het IJsselmeer te fietsen zonder te stoppen. Prachtig is beschreven wat er gebeurt als je alsmaar doorgaat met fietsen, wind mee, wind tegen, duisternis. Ik denk dat je in een taalronde over ervaringen met fietsen kunt vragen wie ook weleens heel ver gefietst heeft, en waarheen en waarom, of wie ook weleens echt heel hard moest fietsen. En dan schrijven over die keer.

Maar er zijn nog honderden andere invalshoeken om over fietsen te schrijven. Je fiets dragen, bijvoorbeeld. Fietsen zijn net niet te zwaar om zelf op te tillen, al kan het nog knap lastig zijn in sommige situaties:

Mijn fiets was kapot maar we dagten dat het niet meer gemaakt zou worden dus moesten we hen naar de zolder dragen maar ik kon het niet dragen, dus moest mijn broer het voor me doen. Het was hartstikke moeilijk. Maar de stuur zat vast aan de leuning dat was heel vervelend. Maar me broer kon het niet dus lied hij het zitten. Later kwam mijn andere broer en die tilde het met gemak naar de zolder we waren verbaast.

Ik ging samen met Rowenna uit school. Eerst ging zij met mij naar mijn huis om te vragen of ik bij haar mog spelen, en dat mocht. Toen gingen we haar fiets ophalen maar haar band was er uit dus ging zij hem van achter tillen en ik ging sturen. Even later begon ze te zeuren van Je stuurt scheef en je gaat de verkeerde kant op. Toen we aankwamen bij de brug kwam er een man op een moter en maakte de band. Rowenna keek hem raar aan en zij toen de man klaar was eeeeh dankjewel maar ze zij het vaag en toen we bij haar huis aankwamen was haar moeder bezorgd.

De beproefde aanpak om op goede invalshoeken voor taalrondes te komen is: je eigen ervaringen met fietsen nagaan en die kort noteren om zelf in de kring over te vertellen. Vervolgens de wie-heeft-dat-ook vraag stellen.

Fietsen op slot zetten en van het slot af krijgen. Lekke banden en afgelopen kettingen. Een prachtige nieuwe of tweedehands fiets krijgen of kopen. Dingen vervoeren op de fiets. Fietsen in de regen of in de storm. Fietsen repareren samen met je broer of je moeder. Gevaarlijke situaties met de fiets. Bij je vader op de fiets zitten. Fietswedstrijdjes. Je broertje leren fietsen zonder zijwieltjes.

Behalve over de invalshoek, moet je altijd ook nadenken over de manier waarop je over zo’n invalshoek zou kunnen gaan schrijven. Met andere woorden: in welk genre wil je met de kinderen gaan schrijven – en aansluitend: hoe kan je de kinderen daarbij op het goede spoor zetten met instructie, een heldere opdracht en begeleiding.  Hetzelfde geldt voor tekenopdrachten in de onderbouw.

Mij helpt het genre-overzicht altijd goed om heel verschillende kanten op te denken, en ook na te denken over kennis-onderwerpen. Dus hierbij voor jullie allemaal een voorzetje waar je zelf op door kunt gaan:

Genrefamilie  Genres  Onderwerp: de fiets 
Verhalende genres​ Vertellen ​ Hoe ging het toen je leerde fietsen​
 Verhalen​ Een keer dat je een probleem had met je fiets​
Feitelijke genres​ Verslag doen​ De geschiedenis van de fiets​
 Beschrijven ​ Verschillende typen fietsen​ bij mij thuis of in de winkel
 Instrueren  ​ Hoe moet je een ketting er weer op krijgen​ (of een band plakken)
 Verklaren ​ Hoe komt een fiets in beweging​
 Oproepen/verzoeken​ Je eigen fiets te koop aanbieden​
Waarderende genres​

Beschouwen ​ Kinderen op de fiets naar school, een goed idee? ​
 Betogen ​ Goed dat je niet mag bellen op de fiets
 Reageren ​ Een leuk/stom fietstochtje​

Zoals altijd hou ik me aanbevolen voor mooie teksten en taaltekeningen over fietsen! Stuur ze op en ik plaats ze op mijn website.

Hoe was het weer daar?

 

Zoals gewoonlijk bij de start van dit schooljaar weer een post over vakantieschrijven. De vakantie blijft een populair schrijfonderwerp, en in plaats van het weg te zetten als saai vind ik het een uitdaging om er steeds weer andere (interessante, leerzame) invalshoeken voor te bedenken. Je kunt hier en hier lezen wat dat eerder al opleverde. Wat kunnen we dit jaar weer eens doen? Beginnen bij mijn eigen associaties werkt altijd goed. Ik denk meteen aan al die hittegolven in Europa, en aan de opwinding die ze opriepen. En aan de neiging van mensen om tijdens de vakantie alsmaar met het weer bezig te zijn. Honderd keer per dag de buienradar bekijken, ook die van je woonplaats, waar je zelf helemaal niet bent.

Praten over het weer, saaai. Schrijven over het weer in de vakantie, ook saai? Net als andere doodgewone dingen kan ook het weer interessant worden als je op details inzoomt, scherp observeert en nagaat welke associaties en vragen dat bij je oproept. Van het weer merk je pas echt iets als het ineens verandert of als het je dwarszit. Dan gebeurt er iets en dat moment of die gebeurtenis kan je beschrijven.

We lopen op het strand in de zon en zien in de verte grijze wolken hangen. Onder de wolken hangt een soort grijs gordijn naar beneden, dat lijkt wel regen. Gaat het dichterbij komen of waait het juist van ons weg? Moeilijk te zeggen. We lopen vrolijk kletsend verder. Als we nog eens omkijken is dat gordijn wel erg dichtbij gekomen ineens. Ik voel een druppel, een dikke ook nog. O jee, geen regenjas meegenomen. Niks waterdichts aan. Nog een druppel, een donkere plek op mijn broek. Ik zet mijn zonnehoedje op, maar dat helpt al niet meer. De druppels knallen op mijn hoofd, ik voel ze dwars door het hoedje als waterbommetjes neerkomen. Boven ons is de lucht grijs geworden. Gaan we terug of juist doorlopen? Een hardloper komt ons tegemoet rennen, in een kort broekje, hij lijkt zich niks aan te trekken van de regen.

Schrijven over momenten en situaties is een belangrijk onderdeel van wat je ‘literair’ schrijven kan noemen. Je kunt zo’n moment in één zin beschrijven: we liepen op het strand en het ging regenen. Maar dat is nou niet echt interessant. Probeer terug te denken aan het moment en aan alle piepkleine dingetjes die je waarnam. Wat zag je, wat voelde je, wat hoorde je? Waar leek het op en wat kwam er in je hoofd op? Hoe kan je dat zo precies mogelijk benoemen?

Het kan een leuke schrijfoefening zijn om met kinderen steeds preciezer en beeldender te schrijven over waarnemingen van het weer. Hoe je dat kunt doen: in de groep eerst een kriskras vertelronde over ‘weer-momenten’. Dan individueel een lijstje maken van zulke momenten die je je herinnert uit de vakantietijd. Eentje daaruit kiezen en hierover met de hele groep een geleide associatie doen. De leerkracht stelt vragen naar zintuiglijke waarnemingen tijdens het moment: wat zag je vlakbij je? Wat zag je verder weg? Welke geluiden hoorde je? Welke kleuren waren er? Wat rook je? In welke lichaamsdelen voelde je iets en wat? Wat deed iemand die er ook bij was? Wat veranderde er en hoe? Wat zei iemand en wat ging er door jouw hoofd? Alle kinderen schrijven voor hun eigen weer-moment hun associaties onder elkaar op een blaadje. Die woorden kunnen ze later gebruiken als ze hun tekst gaat schrijven.

Er was keiharde wind en regen. Ik rilde letterlijk en het voelde alsof de wind mij kwam halen er was zoveel regen dat ik TV ging kijken. Ik zette de TV aan alles was in het Arabisch maar ik kon het een beetje verstaan. Na een uurtje of twee was de regen voorbij, toen ik uit het raam ging kijken was de regen voorbij (eindelijk dacht ik in mezelf) maar toen ging het weer regenen en ik had het weer koud. Opa en oma zeiden dat de regen wel een tijdje door zal gaan, en ik zat lekker op de bank met de TV aan en een dekentje omdat ik het een beetje koud had. De regen was eindelijk voorbij opa en oma hadden gelijk de regen zal echt een tijdje duren, het duurde lang voordat de regen helemaal was opgedroogd. Maar aan alles komt een einde zelfs aan de keiharde regen van Marokko.

(Tekst groep 7)

Je kunt proberen jeugdliteratuur hierbij in te zetten als schrijfondersteuning: een passend fragment zoeken waarin een weer-moment beschreven wordt door een schrijver. Dat samen hardop lezen. Bijvoorbeeld dit fragment uit ‘Drie Japies’ van Els Pelgrom (1992):

 

Uit het fragment kan je mooie zinnetjes kiezen om in de groep te bespreken. Zinnetjes die maken dat je het je helemaal kunt voorstellen. Kunnen we samen proberen (op het digibord) ook zulke zinnetjes te maken?

Het ruiste in de bomen. Het tikte op de houten vloer van de muziektent.> welke woorden kunnen we bedenken voor de wind- of regengeluiden in onze tekst?

Even werd het stuk loodgrijze lucht tussen de bomen geel verlicht. > in plaats van ‘de lucht’ staat hier: ‘het stuk loodgrijze lucht tussen de bomen’. Kan je ook proberen aan het woord ‘lucht’ woorden toe te voegen die beter beschrijven wat en waar je precies iets zag van die lucht?

Als een gordijn viel de regen recht omlaag.> kan je ook proberen om iets wat je zag te vergelijken met iets anders, zoals in ‘als een gordijn’?

‘Ik wil lekker nat worden,’ zei Zwaantje. ‘Een beetje nat is niet erg,’ vond Ricardo. > was er een gesprekje op jouw moment en kan je dat weergeven? Zoals je in het fragment leest hoeven het maar twee regels te zijn.

Op deze manier krijgen kinderen concrete voorbeelden van hoe ze hun tekst beeldender kunnen maken. Dit kunnen ze vervolgens in tweetallen zelf doen, door samen de eerste versies te lezen en enkele zinnen uit te breiden met meer details. Een mooie zinsbouw-oefening, en nog close reading ook!

Tekenen kan het proces ook ondersteunen – en niet alleen voor jongere kinderen. Kan je tekenen wat er in je tekst gedetailleerd beschreven staat? Krijg je door het tekenen misschien nog beter voor ogen hoe het ging? Ook een goed idee: eerst tekenen, dan vertellen, dan schrijven, dan de tekening aanvullen.

Tot zover het schrijven over ‘weer-momenten’ in de vakantie. Het kan ook heel anders, schrijven over het weer. Je kunt je afvragen hoe het eigenlijk werkt, dat weer. Hoe komt het dat het vandaag 10 graden kouder is dan gisteren, terwijl we dezelfde zon boven ons zien stralen? Hoe ontstaat een hittegolf, onweer of een tornado? Dat is iets om uit te zoeken. Je weet het niet zomaar. Eerst lezen dus, zoeken op internet, les krijgen, informatieve filmpjes bekijken. Erover praten. Vervolgens voorbeelden krijgen van hoe je de opgedane kennis in een tekst kunt omzetten.

Over de vele manieren waarop je over het weer kunt schrijven heb ik in mijn boek ideeën opgenomen die ik hieronder weergeef. Om uit te kiezen en, al dan niet meteen na de vakantie, mee te experimenteren.

Thema: het weer
Genregroep Genre en doel Mogelijke tekstsoorten en schrijfonderwerpen
 

 

 

Verhalende genres

 

Vertelling

Reeks gebeurtenissen uit persoonlijke ervaring vertellen.

 

Eigen ervaringen:

Dingen die je gedaan hebt tegen de regen.

Momenten dat je merkte dat het weer veranderde.

Een keer dat het heel erg warm was.

 

Verhaal

Een onderhoudend verhaal vertellen over een reeks gebeurtenissen en hierop eventueel reflecteren.

 

Een verhaal waarin storm een probleem veroorzaakt.

 

Feitelijke genres

 

Verslag

Chronologisch en objectief beschrijven van een proces of een onderzoek

 

Historisch verslag van de Watersnoodramp in 1953.

De ontdekking van de luchtdruk.

 

Beschrijving

Verschijnsel specificeren en classificeren

 

Weersverschijnselen beschrijven.

Onderzoek naar hoe het weerbericht gemaakt wordt.

Welke klimaten heb je op de wereld?

Welke soorten wolken heb je?

Procedure

Instrueren en beschrijven hoe je iets moet doen

Instructie voor wat je kunt doen om je huisdier tegen de warmte te beschermen.

Instructie voor hoe je met een paraplu kunt fietsen.

Spelregels voor een waterspelletje met plassen op het schoolplein.

Verklaring

Een verschijnsel verklaren en interpreteren: oorzaken en gevolgen beschrijven.

 

Verklaring en grafisch model van de kringloop van water.

Uitleg over het ontstaan van wind.

Hoe ontstaat een orkaan?

Waardoor verandert het klimaat?

 

Oproep/verzoek

Een doelgroep motiveren of verzoeken om iets te doen

Advertenties voor te klein geworden regenkleding

Verzoek aan de directeur om bij regen binnen te mogen blijven/ buiten te mogen spelen.

Evaluerende genres

 

Beschouwing

Kritisch kijken naar teksten.

Een kwestie vanuit een of meer gezichtspunten onderzoeken.

 

Kwesties

Mogen kinderen bij alle soorten weer buitenspelen?

Moeten kinderen bij hitte of vorst vrij krijgen?

 

 

 

Betoog

Standpunt met argumenten onderbouwen.

 

Respons

Reageren op een cultuuruiting

Recensie van een film/boek over een weerverschijnsel zoals de watersnoodramp.

Bespreking van een spreekbeurt over een onderwerp rondom het weer.

 

Schrijven over de Tweede Wereldoorlog

In de maanden april-mei zijn veel basisscholen in de bovenbouw bezig met de Tweede Wereldoorlog. Ik schreef al eens een blog over mogelijke schrijfopdrachten bij het ‘Denkboek’ dat elk jaar gratis door het Nationaal Comité 4 en 5 mei aan bovenbouwgroepen wordt uitgedeeld. In twee bovenbouwgroepen waar ik kort geleden langskwam zag ik opnieuw bewezen dat alle zaakvakonderwerpen, ook de Tweede Wereldoorlog, zich lenen voor goed schrijfonderwijs. Kinderen leren schrijven als ze interesse hebben in hun onderwerp, er genoeg van afweten, ruimte krijgen om erover te praten, en goede instructie en begeleiding krijgen bij het schrijven van een tekst. Dat gebeurde hier allemaal.

De kinderen van de groepen 6, 7 en 8 kregen bezoek van iemand die vanuit de eigen familiegeschiedenis over de oorlog kon vertellen. Met veel aandacht luisterden ze naar het verhaal van een man wiens ouders via Westerbork naar een concentratiekamp gedeporteerd werden. Sommige kinderen pakten hun schrift en maakten aantekeningen, iets dat ze in deze groepen al gewend waren om te doen. Anderen waren te zeer onder de indruk om tegelijk te kunnen schrijven, en luisterden alleen maar. In een van de groepen had de bezoeker zijn viool meegenomen, en speelde hij tussen het vertellen door, wat de impact van zijn verhaal alleen maar versterkte. Hierna geef ik een beeld van de stappen die de leerkrachten daarna met de groepen zetten om ze aan het schrijven te krijgen over deze ervaring.

Herinneringen aan het verhaal delen

De volgende dag delen de kinderen in de kring wat ze zich nog herinneren van de verhalen. ‘Wat is je bijgebleven?’ vraagt de juf. Aarzelend komt een kind met: ‘dat zijn moeder in de tweede wereldoorlog zat’. Een volgend kind zegt: ‘Ze hoefde niet naar de gaskamer omdat ze mooi was.’ Je ziet de herinneringen aan het verhaal terugkomen in de hoofden van de kinderen. Een kind begint te vertellen over het akelige beeld van bergen met menselijke resten, dat de verteller had geschetst. De juf doet niets anders dan doorvragen (‘vertel eens meer’, ‘wat zei hij daarover ook alweer?’) en beurten geven aan steeds weer andere kinderen die iets te binnen schiet. Van het een komen de kinderen op het ander. ‘Toen ze terugkwam in Nederland was alles kapot.’ ‘In de hongerwinter hadden mensen alles uit het huis gesloopt.’ ‘Er was een man die zei dat ze alsnog de huur moest betalen.’ Nu en dan ontstaan kleine discussietjes: was het nu zo of zo? Kinderen komen met vragen die ze bezighouden: hoe kan iemand nou geld aannemen als hij iemand verraden heeft? De hele groep raakt betrokken in dit proces van samen kennis terughalen. Enkele kinderen blijven stil, de juf vraagt aan een stille jongen: ‘wat weet jij nog?’ Dat werkt niet, hij weet niks. Even later echter voegt hij spontaan iets toe aan wat een ander kind vertelt. Luisteren is ook meedoen. Een meisje dat niet bij het bezoek geweest is, vraagt honderduit aan haar klasgenoten. Daardoor doet ze genoeg kennis op om met het vervolg mee te kunnen doen.

Op basis van een feitenlijstje een chronologisch geordende tekst voorbereiden

De juf geeft de opdracht om in tweetallen lijstjes te maken van feiten en gebeurtenissen uit het verhaal die ze zich nog herinneren. Dat leidt opnieuw tot veel gepraat, maar ook geschrijf. De kinderen zitten nog steeds in de kring, met onderleggers en pen en papier op schoot. Daarna komt de vraag om die feiten en gebeurtenissen in de goede chronologische volgorde te zetten: wat gebeurde eerst, en daarna? Sommige kinderen pakken hun aantekeningenschrift erbij. Op grond van de chronologische lijstjes ontstaat een beeld van de feiten in het verhaal van de bezoeker. Dat is materiaal om later het feitelijke deel van de tekst mee te gaan schrijven. ‘We gaan dit later gebruiken,’ zegt de juf.

Praten over gedachten en gevoelens

Met opzet heeft de juf nog niet aan de kinderen gevraagd wat ze van het oorlogsverhaal vinden, of wat ze erbij voelen. Daarvoor heeft ze een apart deel van de vertelkring gereserveerd. Praten over je gevoel is best lastig, zeker bij een beladen onderwerp als concentratiekampen en Jodenvervolging.  Als je vraagt: ‘wat voor gevoel heb je hierbij?’ gaan kinderen grote gevoelswoorden gebruiken, zoals ‘verdrietig’, ‘bang’, ‘boos’. Die woorden zeggen niet zoveel, eigenlijk maken ze het juist moeilijk om na te gaan wat er nu eigenlijk in je omging. Het zijn bijna stopwoordjes.

De juf vraagt iets anders, ze zegt eerst: ‘Die verteller heeft heel veel verteld. Het heeft met mij heel veel gedaan. Ik dacht: hoe is het mogelijk dat mensen dit soort dingen doen.’ Daarna vraagt ze: ‘Wat heb jij allemaal gedacht bij het verhaal, en wat denk je nu als je eraan terugdenkt?’ Hiermee geeft ze de kinderen ruimte om allerlei mentale reacties te verwoorden. ‘Het was alsof je erbij was,’ zegt iemand. ‘Ja, net alsof ik echt in de Tweede Wereldoorlog was,’ zegt een ander.  ‘Dat hij dat zo kon vertellen en dat zijn moeder nog zo lang leefde, en dat je dan daarna gewoon grapjes kan maken en kinderen krijgen’, zegt een meisje. ‘Dat hij dat allemaal durfde te vertellen, dat vond ik moedig.’ ‘Het raakte me diep’, zegt een meisje. ‘En soms dachten we wooooo’, zegt een jongen. ‘Op welk moment?’ vraagt de juf. ‘Toen hij ineens zo hard op de tafel ging slaan.’ ‘En waarom deed hij dat dan?’ De jongen vertelt dat hij nadeed hoe het klonk toen de Duitsers ineens hard op de deur bonkten waar mensen ondergedoken zaten. Al pratend komen beelden op van gevoel, zonder dat die gevoelens benoemd hoeven te worden. Het is duidelijk dat het verhaal veel heeft opgeroepen, en al pratend proberen de kinderen dit onder woorden te brengen. Een belangrijke stap richting schrijven.

Eerste zinnen formuleren

In een van de groepen maakt de juf samen met de kinderen een start met het schrijven van een stukje tekst over de persoonlijke reactie van kinderen op het vertelde verhaal. ‘Wat zou je eerste zin daarbij kunnen zijn?’ vraagt ze. Er volgt een snel rondje waarbij iedereen een poging doet. ‘Ik ben boos maar ook verdrietig,’ zegt een kind, dat terugvalt op de globale gevoelswoorden. Dat geeft niks, het is maar een beginzin. ‘Emotioneel,’ vindt een ander kind beter als woord. Weer een ander: ‘Ik ben geschokt.’ ‘Ik vind het bijzonder dat nu alles veranderd is.’ ‘Ik vond het heel knap zoals hij alles vertelde.’ ‘Ik was verbijsterd dat iemand zo wreed kan zijn,’ zegt een kind. ‘Ook mooi, verbijsterd, wat betekent dat?’ vraagt de juf. ‘Heel erg verbaasd.’ In deze op taalgebied zeer heterogene groep hebben kinderen veel aan elkaars inbreng, ook op het gebied van woordkeuze. Ze putten uit hun eigen taalrepertoire maar ook uit dat van (meer belezen) klasgenoten.

In de andere groep richt de juf zich op het schrijven van een inleiding voor de tekst. Ze begint met het terughalen van het begrip ‘inleiding’: ‘Vorige keer toen we gingen schrijven hebben we het ook gehad over een inleiding. Wat doe je ook alweer in een inleiding?’ Een kind antwoordt meteen: ‘Een klein beetje vertellen waar het over gaat maar niet teveel verklappen.’ Dat herkent iedereen. De juf gaat verder: ‘wat zou bij deze tekst nou een goede eerste zin voor de inleiding kunnen zijn?’ Een kind krijgt de beurt: ‘Bij ons in de klas kwam een meneer om te vertellen over zijn vader en moeder.’ ‘Heel erg goed! Wat zou daar nog zeker bij moeten?’ vraagt de juf. ‘Ging het zomaar over zijn vader en moeder?’ Veel kinderen roepen nu dat de Tweede Wereldoorlog er bij moet. De juf: ‘Snap je dat dat belangrijk is om erin te zetten?’ ‘Ja’, zegt iemand, ‘want het verhaal ging niet alleen over zijn vader en moeder, maar ook over de oorlog.’ Samen formuleren de juf en de kinderen de zin: Bij ons in de klas kwam een meneer om te vertellen over wat zijn vader en moeder hebben meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog. ‘Die kunnen we nu allemaal opschrijven, een hele goeie zin,’ zegt de juf.

Aandacht voor doel en structuur van de tekst

Beide leerkrachten hebben op meerdere momenten tijdens deze lessen gewezen op het doel van de tekst: weergeven wat de bezoeker in onze klas verteld heeft, en wat jouw reactie daarop is, en de structuur die daarbij hoort: eerst een inleiding, dan een feitelijk verslag waarin je chronologisch enkele feiten of gebeurtenissen noemt waarover hij vertelde, en tenslotte een eigen reactie op dit verhaal. Elk onderdeel is zowel besproken op inhoud als op mogelijke formuleringen. Zwakkere schrijvers kregen voorbeelden van zinnen die ze konden toepassen. Op meerdere momenten hebben kinderen in tweetallen deze stukjes van elkaars teksten gelezen en elkaar tips gegeven. En de juffen hebben ook enkele stukjes tekst op het digibord klassikaal gelezen en besproken.

Wat leren kinderen hiervan?

Een dergelijke aanpak heeft een grote opbrengst voor kinderen van alle niveaus in deze groepen. Niet alleen verwerken zij zo samen de inhoud van het bezoek en de kennis die zij daarmee over de Tweede Wereldoorlog hebben opgedaan, maar ook hebben zij aan de hand van hulpstapjes (eerst vertellen voordat je gaat schrijven, aantekeningen en lijstjes maken, oefenen met zinnen formuleren en woordkeus uitproberen, versies van teksten van klasgenoten bespreken, herschrijven aan de hand van een gegeven structuur) stapsgewijs een tekst leren schrijven in het genre ‘respons’ (vergelijkbaar met een recensie). Geen kind is van dit proces uitgesloten geweest omdat het te moeilijk zou zijn. Een volgende keer kan de leerkracht terugverwijzen naar wat hier geleerd is over het schrijven van een passende inleiding, het geordend weergeven van feiten, en het verwoorden van je persoonlijke gedachten en gevoelens over een verhaal. Ik zou zeggen: een prachtig voorbeeld van ‘scaffolding’ zoals de term bedoeld is: tijdelijke gerichte hulp bieden, tot ze het alleen kunnen!

Met dank aan Esther en Karin van de Corantijnschool in Amsterdam

Elk kind heeft een verhaal (dat in de krant mag)

Voor mijn blog over praten met kleuters als belangrijke strategie voor beginnende geletterdheid bleek veel belangstelling. Ik ben daar blij mee, want er is vaak te weinig aandacht voor de nauwe relatie tussen vertellen en schrijven op de basisschool. Op een recente bijeenkomst met dyslexiespecialisten bleek iedereen dit wel vanuit de theorie te weten, maar zich niet altijd in staat te voelen om kinderen te stimuleren tot vertellen en dat dan te gebruiken om ze ook aan het schrijven te krijgen. Zeker bij kinderen die van zichzelf al denken dat ze ‘zwak’, ‘dyslectisch’ of anderszins ‘gehandicapt’ zijn lukt dat niet zomaar. We bespraken op die bijeenkomst hoe belangrijk het is dat in het contact met deze kinderen sprake is van echte communicatie en belangstelling, en niet alleen van schoolse leerdoelen.

Een eye-opener vond men de zogeheten ‘wie heeft dat ook’- vraag.  Het idee daarvan is supersimpel: je vertelt iets over een eigen ervaring, en dan vraag je aan een groepje anderen wie ook weleens zoiets gehad heeft. Voorbeeld: ik zag vorig voorjaar in mijn achtertuin een jonge merel die heel wankel op de rand van een stoel zat > wie heeft ook weleens een vogel of ander dier vlak bij huis gezien? Of: wie heeft ook weleens een jong dier ergens gezien? Wie-heeft-dat-ook vragen werken in vertelkringen tien keer beter dan een open vraag als ‘wie wil ook iets vertellen?’ Die laatste vraag roept geen beeld op en alleen de echte kletskousen krijgen dan een kans. De wie-heeft-dat-ook vraag is concreet en tegelijkertijd open; er schiet je vaak direct iets te binnen, je kan erop antwoorden maar het hoeft niet. Als kinderen eenmaal aangeven dat ze een situatie in hun hoofd hebben, is hierop doorvragen niet alleen gemakkelijk maar ook behulpzaam bij het verwoorden.

En toen luisterde ik naar een podcast-interview in De Correspondent met Angelique van Tilburg en Suzanne Huig van de succesvolle Rotterdamse Kinderkrant Jong010.Zij leggen uit hoe zij kinderen aan het vertellen krijgen over zaken die ze meemaken en belangrijk vinden. En hoe ze die verhalen gebruiken voor hun (papieren) krant, die op Rotterdamse basisscholen wordt rondgebracht. Centraal staat bij hen het loslaten van verwachtingen en aannames over de denk- en ervaringswereld van kinderen. Zoals: dat het leven in een gezin met weinig geld wel moeilijker zal zijn dan in een gezin met veel geld. Of dat het erger is als je ouders gescheiden zijn dan als ze bij elkaar zijn.

Ik moest meteen denken aan wat ik heel vaak hoorde van leerkrachten op zogenaamde achterstandsscholen: ‘deze kinderen maken niks mee’. Ook een knoert van een aanname, die totaal niet klopt met mijn ervaring op dit soort scholen. Waarschijnlijk denken veel kinderen zelf ook dat ze ‘niks meemaken’. Jaren geleden schreef ik een artikeltje met als titel ‘Hebben kinderen wel iets te vertellen?’  Het antwoord was: tuurlijk, als je er maar oor voor hebt en ernaar vraagt. De Rotterdamse Kinderkrant laat dit op een nieuwe manier zien.

Bron: De Correspondent, Goede gesprekken

Elk kind heeft niet één verhaal, maar veel verhalen, en daarnaast veel interesses, fantasieën en gedachten. Over dat alles kunnen kinderen praten, lezen en schrijven. De verhalen in de Rotterdamse krant zijn door de twee journalisten goed leesbaar gemaakt. Hoe tof zou het zijn als de Kinderkrant uit Rotterdam gebruikt wordt als aanleiding om met kinderen in de klas te praten over allerlei onderwerpen, en kinderen vervolgens ook zelf over die onderwerpen gaan schrijven.

Bij de Taaldrukwerkplaats maakten we vroeger ook Kinderkranten over allerlei onderwerpen. Geheel bestaande uit kinderteksten. Wat geweldig leuk dat er opnieuw een Kinderkrant is ontstaan, en dat daaruit blijkt dat de kinderen van toen en van nu niet zo heel veel van elkaar verschillen!

         

Kinderkrant uit de jaren 1990

Kinderkrant van nu

Het plezier van instructieteksten schrijven

Ik stond op de trein te wachten en zag ineens een piepklein bordje tegen de treinrails aan. Er stond op ‘Zorgvuldig behandelen. Lees instructie!’ Dat zette me aan het denken: waar zouden die instructies te vinden zijn? Heeft een monteur die op rails bezig is ze altijd in zijn achterzak zitten? Of digitaal op zijn telefoon, voor noodgevallen? En wie heeft bedacht dat dit bordje echt nodig is, omdat anders…?

Instructieteksten, instructietekeningen en tegenwoordig ook instructiefilmpjes komen enorm veel voor in onze wereld. In elk beroep en bijna elke situatie kom je ze tegen. Het genre procedure, waar ze onder vallen, is misschien wel net zo alledaags als de vertelling. Kinderen herkennen het genre snel, waarschijnlijk omdat ze de hele dag door, gevraagd en ongevraagd, instructies krijgen van volwassenen voor hoe ze iets moeten of kunnen doen. ‘Eerst je ene voet op een trapper zetten, dan op het zadel gaan zitten, en zet af met je andere voet.’ ‘Trappen!’ ‘HOU JE STUUR RECHT!’ De gebiedende wijs komt veel voor in de intermenselijke communicatie, of dat nu terecht is of niet. En iets aan een ander leren is ook een algemeen menselijk verschijnsel.

Er is weinig zo leuk als met kinderen instructies schrijven over iets waarvan ze heel precies weten hoe je het moet doen. En het kan al met kleuters. In de onderbouw werkt het goed om instructies in getekende vorm te laten maken, met behulp van een blad met vakjes bijvoorbeeld. Er is behoorlijk wat denkvaardigheid voor nodig om een proces dat je bijna automatisch doet, in kleine stapjes te verdelen en daarbij te bedenken hoe je het begrijpelijk kunt maken voor iemand die het nog nooit gedaan heeft. Dat is precies wat de procedure tot zo’n interessant en leerzaam genre maakt, als het gaat om taal- en schrijfvaardigheid. Nauwkeurig formuleren, nadenken over structuur en volgorde, bedenken wie je lezer is en welke toon daarbij past – daarmee zijn kinderen bezig als ze instructies schrijven.

Instructie voor knutselwerkje groep 4

Goede onderwerpen voor instructieteksten

De onderwerpen voor instructieteksten zijn ontelbaar. Ze liggen meestal in de buitenschoolse sfeer. Dat maakt het allemaal nog leuker. Spelletjes die je gedaan hebt, kunstjes die je goed kan, routes die je vaak loopt of fietst, gerechten die je weleens hebt gemaakt, knutsel- of bouwwerken die goed gelukt waren bij jou, hoe je je kamer het beste kunt opruimen. Het kan ook algemener: vioolspelen, een muur schilderen, water besparen in huis, of een aquarium verschonen. Maar ook schoolse thema’s kunnen leiden tot schrijfopdrachten voor instructies. Binnen het thema klimaatverandering kunnen instructies geschreven worden over manieren om energie te besparen of afval te recyclen, bij het onderwerp plantengroei kan het gaan over manieren om een plantje op te kweken, bij natuurkundige proefjes kunnen instructies geschreven worden zodat anderen de proef ook kunnen uitvoeren.

Je kunt ook minder voor de hand liggende onderwerpen bedenken. Een goede strategie daarvoor is: starten met het vertellen en beschrijven van eigen ervaringen waarin iets gedaan of opgelost wordt, deze vertellingen eerst opschrijven en vervolgens omzetten in instructies. Voorbeelden van hiervoor geschikte onderwerpen: het oppakken van een dier, iets open krijgen, iemand helpen of iets leren, iemand troosten, je kleine broertje naar bed brengen, iets gedaan krijgen van je vader. Hieronder een voorbeeld van hoe binnen het onderwerp ‘iets open of los krijgen’ eerst een vertelling en vervolgens een instructie geschreven is.

 

De website Wikihow, een soort Wikipedia voor instructies, geeft een onwaarschijnlijke hoeveelheid onderwerpen voor instructieteksten, en voorbeelden van hoe zulke teksten opgebouwd kunnen worden. Weliswaar in het Engels, maar goed om inspiratie op te doen. Het belangrijkste criterium bij het selecteren van een onderwerp is altijd: er voldoende kennis van hebben. Fantasie-onderwerpen werken hier niet, omdat daarbij onmogelijk bepaald kan worden of de instructie klopt.

Taalkenmerken van instructies

Instructies schrijven vraagt om nauwkeurig taalgebruik, overzichtelijkheid, een juiste volgorde van handelingen en het gebruik van de gebiedende wijs. Dat lukt kinderen meestal niet allemaal in één keer.

Gezamenlijk nadenken over de structuur van instructieteksten is in alle groepen goed te doen. Wat kan de titel van de tekst het beste zijn? Waarmee begin je: de benodigdheden of ingrediënten, of het doel van de instructie? Ga je de stappen daarna nummeren of markeren met bullets? Moet er een afsluiting komen met bijvoorbeeld een wens: smakelijk eten! of: doe je best! Welke illustraties zijn verhelderend bij de tekst en waar moeten ze staan? In het echte leven zijn heel veel voorbeeldteksten te vinden die je op dit soort punten samen met kinderen kunt analyseren.

 

De gebiedende wijs kan interessant zijn om nader te bekijken. Vaak gebruiken kinderen spreektaalachtige vormen van gebiedende wijs: in plaats van ‘pak een schep en zet hem rechtop in de aarde’: ‘je pakt een schep en je zet hem rechtop in de aarde’. Wat ook veel voorkomt is het gebruik van ‘moeten’: ‘je moet raden wie de moordenaar is’. Of het hele werkwoord bij wijze van gebod: ‘goed roeren!’ of ‘eerst je rechtervoet naar voren zetten’.

Instructietekst zonder gebiedende wijs

Het kan interessant zijn om voorbeeld-instructieteksten hierop samen met kinderen te bekijken. In kookboeken vind je standaard de gebiedende wijs. Maar in veel instructies is ook het hele werkwoord te vinden, zoals op de foto aan het begin van deze blog (‘zorgvuldig behandelen’), of hier:

Verschil tussen een instructie en een verslag

Ik heb gemerkt dat soms verwarring optreedt tussen de genres procedureen verslag. Dan gaan kinderen stapsgewijs beschrijven wat ze gedaan hebben (in de ik-vorm), in plaats van hoe je iets moet doen, (in de objectieve vorm zonder ‘ik’), zoals hier:

De Telefoon.

  1. Ik doe de telefoon aan en. Dan wachten
  2. Ik zoek googel op en ik tiep mincraft
  3. dan laat ik het speletje laaden en dan
  4. doe ik het speletje ik moet hout
  5. hake als eerst dan maak ik een zwaart
  6. van hout en dan maak ik een pikeks
  7. en dan pak ik steen en staken

en hier:

Het maakt duidelijk dat heldere instructie ook bij het schrijven van een instructietekst noodzakelijk is! Het genre procedure hoort bij de feitelijke genres en zou dus zo objectief mogelijk moeten zijn, daar past geen ik-vorm bij. Een goede bezinning op het doel van de tekst, en het geleid bekijken van voorbeeldteksten, helpen kinderen om bewuster te leren schrijven en te zoeken naar passende taalmiddelen. Super-taallessen krijg je zo.

Instructietekst/verslag door kleuter

Bij een instructietekst is gelegenheid voor het bespreken en (meermalen) herschrijven van de tekst extra belangrijk. Een lezer kan meestal goed aangeven of de instructies wel of niet duidelijk zijn en hoe dat komt. Dat maakt tekstbesprekingen bij dit genre gemakkelijk uitvoerbaar.

Protocollen

Een speciale vorm van teksten in het genre procedure is het protocol. Daarin gaat het niet om hoe je iets moet doen, maar om wat wel of niet toegestaan is of verwacht wordt. Op school zijn ‘klasseregels’ een bekende vorm van dit genre. Vaak worden ze samen met kinderen opgesteld en in de klas opgehangen. De volgorde van de regels is minder belangrijk, en de gebiedende wijs komt niet voor. In veel klaslokalen hangen posters met feitelijke zinnetjes die een soort ideale wereld aangeven: ‘wij zijn aardig tegen elkaar’, ‘wij duwen niet op de trap’, etcetera.

Gemeentelijk bord op speelplaats

Het zou interessant kunnen zijn om met kinderen uit te proberen hoe dit verandert als je er bijvoorbeeld verzoeken of bevelen van maakt: ‘willen jullie aardig tegen elkaar zijn?’ of ‘blijf van elkaar af op de trap’, ‘zou het niet fijn zijn als niemand duwde op de trap?’ en dan te bespreken wat beter zou werken. Fijne taalbeschouwingsoefening!

Ook Staatsbosbeheer heeft moeite met het schrijven van een protocol

Mijn ervaring is dat het genre procedure veel mogelijkheden biedt voor leuke en leerzame schrijfopdrachten in alle leeftijdsgroepen. We hebben het dan nog niet eens gehad over het oprukkende fenomeen ‘instructiefilmpje’, waarbij taal nauwelijks nodig lijkt – echter voor het maken van zo’n filmpje is een scenario nodig, wel degelijk een tekst dus. Ik ben benieuwd naar jullie ervaringen met dit genre!

 

 

Hoe maak je een vriend en wat is eigenlijk vriendschap?

Schrijven over hoe je een vriend(in) ontmoet hebt en hoe je toen vrienden werd, over wat je vaak samen doet en wat daar leuk aan is, of over gesprekjes die je met je vriendin hebt, dat kan gemakkelijk na een goede vertelronde over deze onderwerpen. Het is een super onderwerp omdat iedereen er ervaringen mee heeft, fijne en minder fijne. Ik schreef in mijn vorige blog over hoe je daarbij jeugdliteratuur als voorbeeld kunt gebruiken, voor het verrijken van je vertellende tekst met beeldende details.

Bron: Prentenboek ‘Groep 8 over vriendschap’, samengesteld door Lucie Visch binnen het Amsterdamse Prentenboekenproject van de Stichting Taalvorming

Maar je kunt ook heel anders over vriendschap schrijven. Filosofisch: door na te denken over wat een vriend eigenlijk precies is of wanneer een vriendschap ‘goed’ of ‘echt’ is. Pragmatisch: door elkaar tips te geven voor hoe je het kunt aanpakken als je bevriend wit worden met iemand. Liefdevol: door een vriend(in) heel beeldend en positief te beschrijven in een portret. Schrijflessen over het onderwerp vriendschap worden leerzamer en interessanter door heel gerichte schrijfopdrachten. Met daarbij natuurlijk aanwijzingen voor hoe je dit kunt aanpakken.

Beschouwingen en betogen

Meningen zijn altijd het lastigst. Zeker met kinderen moet je uitkijken voor het opdringen ervan, en ruimte geven voor het open bespreken van mogelijke standpunten, zoals ik in een eerder blog beschreef. Gesprekken over verschillende gezichtspunten, een beetje zoals gebeurt bij filosoferen, kunnen heel leuk zijn en een goed uitgangspunt voor het daarna schrijven van een tekst. Voorbeelden van kwesties en vragen:

  • Is een ‘echte’ vriend meer een vriend dan een internet-vriend?
  • Kan je vrienden zijn met een dier?
  • Kan een robot je vriend zijn? (er zijn goede filmpjes op internet te vinden over dit onderwerp)
  • Kan je bevriend zijn met een familielid of heet dat dan anders?

(NB Kinderen bedenken zelf vast nog meer interessante kwesties.)

Je kunt beginnen met een voorbeeld uit je eigen ervaring, en vervolgens samen met kinderen ervaringen rondom een van deze kwesties verkennen in een groepsgesprek, misschien afgewisseld met gesprekken in tweetallen of kleine groepjes aan de hand van vragen. Samen kunnen kinderen lijstjes maken met argumenten: ja, want… en: nee, want… Zulke lijsten kan je ook met de groep samen op het bord of een flap maken. Kinderen kunnen in tweetallen een item uit de lijstjes kiezen om nog eens over door te praten: wat denk jij ervan? Op die manier zijn ze al bezig met het (mondeling) verwoorden van mogelijke standpunten en overwegingen – een essentiële stap in de voorbereiding van een schrijftaak.

Vervolgens kan je een schrijfopdracht geven. Daarbij hebben kinderen houvast aan een gegeven structuur. Bij de schrijfopdracht voor de teksten hieronder kregen de kinderen talige aanknopingspunten, oftewel ‘stukjes zin’, mee die hen hielpen bij het schrijven van een doeltreffende beschouwende tekst:

  • Ik vind…
  • Want…
  • Aan de andere kant…
  • Een voordeel van…. is

De teksten worden hierdoor goed bespreekbaar: klassikaal en in tweetallen kan achtereenvolgens gekeken worden naar de manier waarop het standpunt is verwoord (ik vind…), de argumentatie (want…), de overwegingen (aan de andere kant… , een voordeel is…).

Bron: Prentenboek ‘Groep 8 over vriendschap’, samengesteld door Lucie Visch binnen het Amsterdamse Prentenboekenproject van de Stichting Taalvorming

In de bovenbouw zou je ook kunnen werken met een getekend structuurschema voor een betoog, volgens de opbouw standpunt > argument + onderbouwing > bevestiging van het standpunt. Daarbij kan je goede schrijvers vragen om minimaal twee argumenten met onderbouwing te geven. Wat kinderen hiervan leren is, behalve nadenken over vriendschap, op een gestructureerde wijze schriftelijk argumenteren.

Structuurschema voor een betoog. Bron: Iedereen kan leren schrijven (2018)

Instructies

Hoe doe je dat eigenlijk, een vriend maken? Kan je een soort recept geven voor het maken van een vriend of vriendin? Of loopt dat elke keer weer totaal anders? Daar zouden we eerst eens met elkaar over moeten praten. Hoe ging dat ook alweer, dat ik vriendin werd met Marian. Ik geloof dat ik haar ergens tegenkwam en toen raakten we in gesprek. Toen heb ik een afspraak met haar gemaakt om een keer bij mij thuis te komen. Dat vond ik wel spannend. Ik zou mensen wel willen aanraden om zoiets te durven; ze werd mijn beste vriendin. Tip: niet te snel met zo’n uitnodiging komen, maar precies op het juiste moment… Hierover kan ik proberen een soort instructie te schrijven, met verschillende stappen en een aantal belangrijke aanwijzingen voor waar je op moet letten.

Kinderen beginnen een vriendschap vaak met samen iets doen, spelen meestal. Maar dan ineens weten ze: dit zou een vriendin of vriend kunnen worden. Hoe wist je dat? Wat heb je ervoor gedaan, en wat deed die ander? Een vertelronde over dit onderwerp kan vanzelfsprekend leiden tot een vertelling over hoe het precies ging, zoals hier:

Bron: Prentenboek ‘Groep 8 over vriendschap’, samengesteld door Lucie Visch binnen het Amsterdamse Prentenboekenproject van de Stichting Taalvorming

Maar dit omzetten in een instructie (genre: procedure) is ook uitdagend. Procedures zijn een toegankelijk genre, iedereen kent het wel. Je kunt hier ook eerst vrij instructies laten schrijven en later de teksten bekijken op doeltreffendheid. Bespreek een eerste versie klassikaal en bekijk daarbij:

  • Staat duidelijk beschreven wat het doel is van de instructie?
  • Heb je er nog iets voor nodig, staat dat er duidelijk bij?
  • Staan de verschillende stappen die je moet zetten in de goede volgorde en zijn ze te begrijpen?
  • Staan de aanwijzingen/tips op een ordelijke manier onder de stappen?

Een essentiële stap ook nog tekenen, of de hele procedure in chronologische vakjes ook tekenen kan een goed idee zijn in jongere groepen.

Een goede voorbereiding voor de vertelronde kan ook zijn: dit boek voorlezen.

Ik wens je veel plezier met schrijfactiviteiten bij dit Kinderboekenweekthema, en tegelijk ook veel goede ervaringen met effectief schrijfonderwijs!

Schrijven over vriendschap

Met mijn beste vriendinnetje had ik een spelletje dat we bijna elke dag speelden. Het heette ‘Huisje’. Het was een fantasiespel waarbij wij twee meisjes waren die alleen in een huisje in een bos woonden en daar helemaal niet bang waren. We konden het overal spelen, aan tafel of op de speelplaats van de school. Zodra we in ons ‘huisje’ zaten, vergaten we alles om ons heen. Ik voel nog de opwinding van dat spel waarvan alleen wij de regels en de rollen kenden. Waarschijnlijk is dat vriendschap, samen iets hebben dat niemand anders begrijpt.

Als ik het spelletje heel precies zou beschrijven, zou de aard van mijn vriendschap met mijn vriendin daar waarschijnlijk vanzelf uit oprijzen. Zonder het woord ‘vriendschap’ te noemen.  Show, don’t tell, heet die aanpak bij verhalend schrijven. Als je bij het thema Vriendschap van de nieuwe Kinderboekenweek ook wilt gaan schrijven met je groep, is dat een interessant principe. Laat kinderen vertellen over een keer dat ze iets heel leuks deden samen met een vriendin of vriend, of een keer dat ze samen met een vriend(in) een spelletje hadden bedacht, of over een keer dat ze samen iets deden dat eigenlijk niet mocht of niet zo goed afliep. Vergeet niet om zelf ook te vertellen! En vraag dan door naar details in die gebeurtenissen. Die details kunnen, zonder gevoelens te benoemen, duidelijk maken hoe jij en je vriend zich voelden, en wat jullie eigenlijk samen hebben dat je wel vriendschap zou kunnen noemen. Volgens het didactische principe ‘eerst vertellen en dan schrijven’ kunnen daarna goede eerste versies geschreven worden, die je ook weer kunt bespreken op details die maken dat je het helemaal voor je ziet en kunt meevoelen.

Zo’n regel als ‘show, don’t tell’, is nu ook weer geen wet die altijd opgaat. Soms is het voor je verhaal niet nodig om in plaats van de zin ‘Fatima was mijn liefste vriendin’ te gaan beschrijven wat je allemaal zo lief aan Fatima vindt, of hoe het er precies uitzag toen ze met jou samen in een boom klom. In een tekstbespreking draait het dan ook niet om het verplicht toepassen van een regel volgens de schrijfopdracht, maar om een gesprek over hoe bepaalde formuleringen werken, en over wat je bedoeling met de tekst precies is. Een verhalende/vertellende tekst over een gebeurtenis met een vriendin of vriend is gericht op meevoelen, het voor je kunnen zien, een filmpje in je hoofd afspelen. Met kinderen kan je bespreken of dat wel of niet gelukt is en hoe dat komt. Oefening: stel vragen bij onderstaande tekst uit groep 4. Wat zou je er nog bij willen weten om het voor je te kunnen zien?

En doe het nog een keer bij de volgende tekst uit groep 6:

Door de teksten uit te breiden met details kunnen ze nog meer beeld oproepen. Het is een goede strategie om klassikaal letterlijke voorbeelden te bedenken van uitbreidende zinnetjes en woorden. Maar alleen als ze nodig zijn en goed werken!

Kinderboeken over vriendschap

Het onderwerp ‘vriendschap’ komt vaak langs in het onderwijs, als gezocht wordt naar een aansprekend thema. Logisch, alle leeftijdsgroepen hebben ermee te maken. Ongelofelijk veel goede kinderboeken gaan over een vriendschap. Of liever: ze gaan niet over vriendschap, maar ze beschrijven iets dat verhaalfiguren samen doen en daaruit rijst het beeld van een vriendschap op. Daarom is voorlezen uit zo’n boek een goede start voor schrijflessen. Of: alle kinderen een ander boek(fragment) laten lezen en ze een stukje laten kiezen waaruit je volgens hen echt kunt afleiden dat het hier om vriendschap gaat. Welke woorden in dat stukje maakten dat je het echt ging voelen? In een vertelkring stukjes voorlezen en bespreken, woorden en zinnetjes op het bord verzamelen om later in je eigen tekst te gebruiken, en je hebt een taalles waar alles in zit: lezen, woordenschat, vertellen, schrijven en taalgevoel.

In boeken over vrienden komen veel gesprekken voor, en de manier waarop die beschreven zijn scheppen ook een beeld van de vriendschap. Je kunt dialogen in een vertelling verwerken, zoals in onderstaand fragment uit Mijn bijzonder rare week met Tess van Anna Woltz.

Fragment uit Mijn bijzonder rare week met Tess van Anna Woltz

In de bovenbouw kan je dit fragment als voorbeeld gebruiken bij het schrijven van korte teksten over een gesprekje tussen jou en een vriend of vriendin. Tussen de letterlijke uitspraken kunnen zinnetjes komen die aangeven wat er te zien en te voelen is (‘ze schudde haar hoofd’, ‘ik zag dat haar hand trilde’).

In jongere groepen kunnen kleine gesprekjes als uitgangspunt dienen. Voorbeeld uit Kikker en Padvan Arnold Lobel:

Dialoog uit Kikker en pad, Arnold Lobel (1996)

Kinderen vertellen in de kring over allerlei gesprekjes die ze zich nog herinneren. Gesprekjes in de gang, op de speelplaats, aan tafel, in de supermarkt. Wat zei jij, en wat zei die ander toen? Teken op een blad (zie voorbeeld hieronder) met vier vakjes eerst de beginsituatie en beschrijf die (‘ik was aan het overleggen op mijn kamer met Bart’), in het tweede vakje wat een van jullie zei (‘die is van mij’) en in het derde wat de ander terugzei (‘dan neem ik dit wel’), tenslotte in het laatste vakje hoe het daarna verder ging (‘we waren buiten aan het spelen met de autootjes’). In groep 3 kunnen kinderen soms al stukjes zelf schrijven, zo niet dan schrijft de leerkracht bij wat het kind bedoelt.

Groep 3 schrijft dialoogjes

Zouden we met kinderen nog op andere manieren kunnen schrijven bij het thema vriendschap? Vertellend schrijven ligt altijd voor de hand in het basisonderwijs. Kan je ook feitelijk en waarderend schrijven over vriendschap? Daarover in een volgend blog meer.

Zeven manieren om over de vakantie te schrijven

De zomervakantie is weer voorbij en als je in het onderwijs werkt betekent dat: je opmaken voor het eerste contact met nieuwe groepen leerlingen, die zes weken lang met heel andere dingen zijn bezig geweest dan school. Ze zitten bruinverbrand en uitgerust (of uitgeput, door alle enerverende ervaringen) in je klas, jou aan te kijken. Vertellen over de vakantie! Je kunt er nauwelijks omheen.  Ik heb vorig jaar al eens tips gegeven voor het vertellen en schrijven over kleine, concrete waarnemingen en gebeurtenissen tijdens de vakantieperiode. Zodat je meteen de eerste dag kunt beginnen met goed schrijfonderwijs. Dit jaar wil ik je aandacht vragen voor nieuwe, minder voor de hand liggende manieren van schrijven over de vakantie. Dat heeft alles te maken met mijn enthousiasme over de genre-indeling die ik in mijn laatste boek gebruik als hulpmiddel om schrijftaken interessanter en leerzamer te maken.

Wat is een genre? De makkelijkste uitleg is: dat het een tekstdoel is. Met een tekst wil je iets bereiken, dat kan van alles zijn. En je doel heeft invloed op hoe je een tekst schrijft. Dat kan je zien aan iedere tekst. Er zijn miljoenen soorten teksten die allemaal met bepaalde doelen geschreven zijn, en daar meer of minder goed in slagen. De tien genres die ik in de laatste versie van mijn boek aandraag, brengen in dat oerwoud van teksten een systematiek aan waarmee je als leerkracht gemakkelijker bewust kunt werken met schrijfdoelen. Zie het onderstaande overzichtje.

Belangrijk is dat een genre niet een vaststaand ‘ding’ is, met vastliggende kenmerken. Je kunt dus niet bij elk genre een soort invulformuliertje maken dat je dan (door kinderen) laat invullen en klaar is kees. Een genre is meer een proces. In een genre doe je iets, namelijk: je probeert met taal een doel te bereiken binnen een bepaalde situatie.  Dat kan je dus beter met een werkwoord aanduiden, zoals in de middenkolom in het schema hieronder:

Een verhaal vertellen, een fenomeen beschrijven, iemand instrueren of een standpunt van alle kanten bekijken – dat is allemaal iets anders. Je probeert een tekst zo te schrijven, dat je je doel zo goed mogelijk bereikt. Dat kan op verschillende manieren, hoewel er per genre terugkerende patronen zijn. Voor het schrijfonderwijs is van belang dat het tekstdoel, en de manieren om dit te bereiken, centraal staan in zowel de voorbereiding van het schrijven als in de bespreking van tekstversies.

Wat heb je daar nu aan als je met kinderen wilt gaan schrijven over de zomervakantie? Dat vind ik nou leuk: nadenken over of je heel verschillende teksten over de vakantie zou kunnen schrijven. Een instructie, een beschrijving, een beschouwing, kan dat en hoe dan? Hieronder mijn suggesties die hopelijk inspireren tot spannende schrijfsessies in je groep.

Vertellend en verhalend schrijven over de vakantie

Vertellen over vakantie-ervaringen ligt voor de hand, je doet het vanzelf. Over vertellingen maak ik me dan ook weinig zorgen. De belangrijkste valkuil is dat ze ontaarden in saaie chronologische opsommingen van activiteiten – iets dat je kunt voorkomen door lijstjes te laten maken van kleine gebeurtenissen en daaruit te kiezen over welke je gedetailleerd gaat vertellen, om vervolgens op te schrijven wat je verteld hebt.

Met verhalen ligt het anders: die hebben een soort plot en een bijbehorende structuur van oriëntatie>complicatie>oplossing. Van de bovenstaande vertelling zou goed een spannend verhaal gemaakt kunnen worden met het moment van het enge gefluit als centrale gebeurtenis, lekker lang uitgesponnen, enger gemaakt, en mogelijk uitgebreid met iets dat niet echt gebeurd is.

Feitelijk schrijven over de vakantie

Feitelijke genres zijn objectiever dan verhalende. In een feitelijke beschrijving hoeft de ik-vorm in principe niet voor te komen, en gaat het vooral om precieze, beeldende woorden. Je zou het bijvoorbeeld zo kunnen voorbereiden:

  1. Elkaar eerst in een vertelronde vertellen over (kleine) plekken waar je was (strand, buurthuis, tuin van oma, berg in Oostenrijk, zwembad in een andere stad, treinstation, vliegveld, museum)
  2. Daarvan lijstjes maken en een van die plekken kiezen, aan je buur heel precies vertellen hoe het er daar uitzag, geholpen door veel vragen naar details.
  3. Geleide associatie: stel je voor dat je nu op die plek bent, wat zie je/hoor je/ruik je/voel je om je heen? De leerkracht stelt een reeks op de zintuigen gerichte vragen en de kinderen schrijven hun korte antwoorden op een blaadje, dat later als aantekeningen gebruikt kan worden bij het schrijven. Dit kan ook voor jonge kinderen een goede voorbereiding zijn. Voorbeelden van vragen: welke geluiden hoor je op de plek? Welke kleuren zie je? Zijn er levende wezens, welke? Wat doen ze? Planten? Welke geluiden hoor je?
  4. Teken de plek gedetailleerd, voorafgaand aan het schrijven.
  5. Met oudere kinderen kan als instructie een voorbeeldtekst gezocht worden waarin een plek gedetailleerd beschreven wordt. Zie tekstvoorbeeld hieronder van Joke van Leeuwen. Hoe beschrijf je een plek zodanig dat je er bijna middenin staat als je de tekst leest? Benoem samen met de kinderen hoe eigenschappen van voorwerpen in de tekst beschreven worden: soms met een of meer beschrijvende woorden (‘vuilgroen geverfd’), soms met een heel extra zinnetje er bij (‘het lelijkste groen dat ik ooit gezien had’, ‘dekens die eruitzagen alsof ze erg kriebelden’). Oefen klassikaal hoe je dit ook kunt doen bij een eigen plek.
  6. Als eerste versies van beschrijvingen geschreven zijn, kunnen enkele teksten besproken worden, met de focus op manieren waarop eigenschappen en omstandigheden beschreven zijn. Kunnen die nog preciezer/mooier/beeldender?
    Uit: Joke van Leeuwen (2010). Toen mijn vader een struik werd. Amsterdam: Querido. P. 20

    Beschrijving mergelgrotten

Een ander feitelijk genre is de procedure. Daar gaat het om het schrijfdoel instrueren. In de vakantie heb je enorm veel dingen gedaan die je anders niet zo snel doet. Van de hoge duikplank af springen, over een geitenpaadje lopen, slapen op een dakterras, een nieuw spelletje doen, je de hele tijd insmeren met zonnebrand, in het frans een brood kopen, een schaap aaien. Daar zit heel wat bij waar je een ander handige tips voor kunt geven. De schrijftaak kan je bijvoorbeeld zo opbouwen:

  1. In de groep vertellen over kleine ervaringen, waarbij de leerkracht na elk verhaal werkwoorden op een bordlijst verzamelt. Bijvoorbeeld: wandelen in de bergen, onder water zwemmen, tent opzetten, wespen wegjagen, wachten, de weg vinden, kennismaken met andere kinderen.
  2. Opdracht: maak op dezelfde manier voor jezelf een zo lang mogelijke lijst met (werkwoorden van) dingen die je in de vakantietijd gedaan hebt.
  3. Kies een van die activiteiten uit die je nog goed weet en vertel zo precies mogelijk aan je buur hoe je dat deed
  4. Eventueel: teken de activiteit
  5. Schrijfopdracht 1: schrijf op wat je verteld hebt (of teken het en schrijf erbij / laat de meester bijschrijven)
  6. Schrijfopdracht 2: zet je tekst om in een instructietekst waarin je duidelijk kunt lezen om welke vaardigheid het gaat (een koprol maken in het water, of een luchtbed oppompen) en je stapsgewijs beschrijft wat iemand moet doen om het tot een goed einde te brengen. Geef er tips bij voor waar je op moet letten en wat je zeker niet moet doen.
  7. Tekstbesprekingen klassikaal en in tweetallen: zijn de instructies duidelijk en gedetailleerd genoeg?

De overige feitelijke genres bieden zeker ook mogelijkheden voor schrijfopdrachten rondom de vakantie. Daarbij lijkt mij het verslag (een objectieve chronologische weergave van gebeurtenissen) het minst interessant, want saai. Schrijven in het genre verklaring zou wel leuk kunnen zijn. Je zou met kinderen een vertelronde kunnen doen over allerlei natuurverschijnselen die ze tijdens de vakantie hebben waargenomen: het weer, landschappen, de zee en ander water, grondsoorten, planten en dieren. Wat viel je op, en wat kun je je daarbij afvragen? Hoe komt het dat het gaat onweren? Hoe komt het dat het gras geel wordt? Waarom blijft er sneeuw op hoge bergen liggen? Hierover zouden kinderen verklarende hypothesen kunnen maken en die in een bespreking testen.

En wat te denken van kleine wervende teksten over waarom je beslist naar een bepaalde plek zou moeten gaan, een soort reisbureaufolder?  Genre: oproep/verzoek, waarbij de wervende toon, naast feitelijke informatie, centraal staat.

Waarderend schrijven over de vakantie

In sommige bovenbouwgroepen is het vast mogelijk om de aandacht te richten op de waardering die kinderen hebben voor wat ze in de vakantietijd gedaan hebben. Was het fijn om zo lang vrij te hebben, of juist niet, of wel en niet? Moet de vakantie langer of korter, en hoezo? Wat vond je positieve kanten van een plek waar je met je ouders of iemand anders geweest bent, wat minder positieve kanten? Bouw je schrijfles op door eerst ruimte te geven voor ervaringen vertellen en daarna voor meningsvorming, waarbij voorop staat dat het niet gaat om een eenduidig standpunt, maar om het benoemen van voor- en nadelen en het verwoorden van je eigen gedachten. Je mag twijfelen of het niet weten. Gebruik je (digi)bord om gezamenlijke lijstjes te maken van voor- en nadelen, bijvoorbeeld van

  • De lengte van de vakantie
  • Hoe beslissingen genomen worden over wat je gaat doen in de vakantie
  • Bepaalde vakantiebestemmingen
  • Uit logeren gaan / op rare plekken slapen
  • Vreemd eten
  • Je vrienden lang niet zien
  • Verveling
  • Dingen die je in de vakantie van je ouders moet doen
  • Hitte, kou of regen

Dit leent zich voor een schrijfopdracht in het genre beschouwing, waarbij het nuttig is om van te voren de structuur van de tekst met kinderen te bespreken en te oefenen: starten met een beschrijving van de kwestie waarom het gaat, vervolgens de verschillende gezichtspunten verwoorden (aan de ene kant / aan de andere kant), en afsluiten met een eigen conclusie.

 Genres geven richting

Hopelijk werken deze suggesties inspirerend en kan je de vakantie-ervaringen van je groep benutten om ze onmiddellijk veel nieuwe schrijfervaring te laten opdoen. Stuur me voorbeelden van teksten; ik publiceer ze op mijn website!

In het komende schooljaar zal ik in mijn blog elke maand een ander genre onder de loep nemen, om je te helpen bij het ontwerpen van zinvolle, gevarieerde en uitdagende schrijfopdrachten voor je kinderen.