Vakantiedetails

Tekening: Henk van Faassen

Het voelt nog verschrikkelijk zomers, maar voor sommige scholen is de zomervakantie alweer bijna afgelopen. Ga je de kinderen in je nieuwe groep laten vertellen over hun vakantie, en misschien ook schrijven? Het ligt voor de hand om dat gelijk op de eerste dag te doen. Al vele jaren probeer ik leerkrachten tips te geven om van die opdracht ook echt schrijfonderwijs te maken, en daarmee de toon te zetten voor een productief schrijfjaar. Je kunt alle voorbeelden vinden in de lijst blogtitels onder de categorie ‘Schrijven over vakanties’. Maar eigenlijk hoop ik dat de voorbeelden samen duidelijk maken hoe je kunt denken als je een goede schrijfopdracht wilt ontwerpen. Dit jaar heb ik daarom zitten denken over dat denken. Zou ik dat kunnen typeren en overbrengen? Zodat mijn lezers die tips helemaal niet meer nodig zullen hebben?

Het belangrijkste uitgangspunt vind ik de vuistregel: eerst vertellen, dan schrijven. Niet zomaar, of te snel, een schrijfopdracht geven dus. Voor wie al werkt met de opbouw van de taalronde is dat gesneden koek. Maar: waarover dan vertellen? Zoals ik in mijn eerste vakantieblog schreef: chronologische overzichten van vakanties zijn niet interessant. Wat ook niet interessant is: hoe ver weg je was, waar allemaal en wanneer, hoe lang, wie er allemaal mee waren, welke spectaculaire dingen je gedaan hebt, of dat je helemaal niet weg was en er dus niks gebeurde. Interessant zijn de kleine, concrete gebeurtenissen en waarnemingen tijdens de vakantieperiode, die niet meteen naar boven komen als iemand vraagt ‘hoe was je vakantie?’ maar die wel nog ergens in je geheugen zitten. Ze duiken op onverwachte momenten op, vooral als iemand ernaar vraagt of als je luistert naar wat anderen vertellen.

En het zijn zulke kleine ervaringen die leiden naar een kerncriterium van het genre Vertelling: beeldende details. Het gaat niet om een reeks algemene gebeurtenissen (hoewel chronologie ook een kerncriterium is), maar om details van wat je op een bepaald moment waarnam, deed en dacht, en om die details zo precies te beschrijven dat een lezer het helemaal voor zich kan zien. Dat betekent automatisch dat je moet inzoomen op kleine gebeurtenissen en ervaringen, ze weer voor je geest halen, jezelf afvragen hoe het ook alweer precies ging. Het betekent ook dat het eigenlijk niet meer over vakanties gaat, maar over iets dat gebeurde in de vakantietijd. Fijn voor de thuisblijvers, die in die tijd immers ook van alles hebben waargenomen, gedaan en gedacht.

Hoe kom je bij die details terecht? Zeker niet via het clichébeeld van vakanties, dat bestaat uit een aaneenschakeling van verre reizen, avonturen en andere hoogtepunten. De beproefde route loopt via je eigen kleine, concrete ervaringen. En daar dan niet ‘globaal’ over vertellen, ervan uitgaand dat de luisteraar/lezer ook zonder uitleg wel snapt wat je bedoelt, maar al je denkbeeldige zintuigen openzetten om de details van de ervaring op te vangen, en daarvoor dan de woorden proberen te vinden. 

Vanuit die eigen ervaringen doemen dan onderwerpen op die ook voor anderen, jouw kinderen bijvoorbeeld, herkenbaar kunnen zijn. Met die onderwerpen kan je vervolgens aan de slag in de vertelkring – en dan eens kijken of ze aanslaan. Ik geef vier voorbeelden van hoe ik zelf op deze manier denk. Wat in mijn hoofd komt als ik aan de afgelopen vakantietijd denk: hoe we binnenbleven vanwege de hitte; de wolf die we in de verte zagen tijdens een wandeling; tegen de wind in fietsen tussen de weilanden; kletsen met de buren bij het zwemsteigertje. Omgezet naar vier onderwerpen:

  1. Een keer dat het super warm was
  2. Dieren die je gezien hebt
  3. Iets inspannends dat je gedaan hebt
  4. Ontmoetingen en gesprekjes

En dat allemaal tijdens de vakantieweken, ongeacht waar je dan was.

De voorbereiding bestaat uit het bedenken van invalshoeken en wie-heeft-ook vragen. Tijdens de vertelkring helpen die vragen om van de ene op de andere herinnering te komen. Voorbeelden van zulke vragen:

Een keer dat het super warm was: Wie heeft ook iets gedaan tegen de warmte? Wie heeft onder een parasol of tentje of boom gezeten? Wie had het ’s nachts heel warm? Wie moest een hoedje of zonnebril op? Wie was op een plek waar je kon afkoelen?

Dieren die je gezien hebt: Wie heeft een wild dier gezien, zoals een konijn of roofvogel? Wie heeft insecten gezien, bijvoorbeeld mieren of bijen? Wie heeft met een dier gespeeld of geaaid? Wie heeft een dier in het water gezien? Wie was bang voor een dier, of omgekeerd?

Iets inspannends dat je gedaan hebt: Wie heeft heel hard gerend of gefietst? Wie heeft zware dingen gedragen? Wie is in een boom geklommen? Wie heeft een wedstrijdje of een kunstje gedaan? Wie is heel lang in een zwemplek geweest?

Ontmoetingen en gesprekjes: Wie heeft een nieuwe vriend/in gemaakt? Wie kwam iemand tegen die je (niet) kende? Wie heeft buiten met iemand gespeeld? Wie heeft gepraat of gespeeld met iemand die een andere taal sprak? Wie kreeg ruzie of de slappe lach met iemand?

Hoe concreter een vraag, hoe meer kans dat er een herinnering opkomt. En als iemand daarop doorvraagt komen ook de details: hoe iets eruitzag, hoe het precies ging, waar het was, wat iemand zei, hoe het klonk, wat je dacht of deed. Dat kan je goed gebruiken als je gaat schrijven in het genre Vertelling. Je tekst wordt er beeldend en persoonlijk van. Niet meteen natuurlijk, het vraagt wat denkwerk, waarvoor kinderen niet altijd ruimte hebben in hun hoofd als ze aan het schrijven zijn. Gelukkig is er dan de tekstbespreking, waarin je vragen kunt stellen over de eerste versies van de teksten en zo meer details kunt toevoegen die de beeldende kracht van de tekst versterken. De tekstbespreking doe je gewoon op de volgende dag, nadat je zelf alle eerste versies gelezen hebt.

Ook heel belangrijk om op details van een ervaring te komen: tekenen! Na het vertellen, voorafgaand aan schrijven, of na het schrijven van de eerste of tweede versie vraag je de kinderen om een belangrijk moment uit hun tekst te tekenen, precies zoals het was, met alles erbij. Tijdens tekstbesprekingen kunnen ook tekeningen gezamenlijk bekeken en besproken worden, met als doel: elkaar suggesties geven voor wat er nog bij getekend kan worden om het preciezer te maken.

     

Vakantieverhalen worden leuk door details. Hoe ik ’s nachts een natte lap in mijn nek legde tegen de hitte en die in no time weer droog was. Hoe we een haasje tegenkwamen dat met grote ogen zat te bibberen van angst langs de weg. Hoe ik erin slaagde een enorm groot raam op te tillen door eerst een, twee, drie te roepen. Hoe op de pont een heer op een sportfiets aan mij vroeg of ik ook een fietstochtje ging maken, nee dus. En wat er allemaal daarna gebeurde. Het laat zien dat gedetailleerd schrijven niet alleen neerkomt op ‘meer bijvoeglijke naamwoorden gebruiken’, iets wat vaak gedacht wordt. Hierover later meer. Duik erin met je kinderen, veel plezier!

 

Blogs


Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.